Marinus Spronk

Onderstaande verhaal is overgenomen uit het boek van Kees de Lang – Vertel nog eens over de oorlog; oorlogsherinneringen van een onderwijzer.
Omdat het boek niet meer verkrijgbaar is, maar gezien het belang van deze verzetsverhalen, neem ik de vrijheid om dit verhaal te plaatsen. Ook omdat de verzetsverhalen van Marinus Spronk en H.P. de Bie zo bij elkaar aansluiten en hier ‘puzzelstukjes bij elkaar komen’.

Vertel nog eens over de oorlog – Kees de Lang
Oorlogsherinneringen van een onderwijzer

10. Marinus Spronk alias Max en/of G13

Met gemengde gevoelens neem ik dit deel in het boek op. Het zou beter zijn als er een biografisch werk over de verzetsstrijder Marinus Spronk verschijnt. Nu dit voor zover mij bekend niet het geval is, meen ik — zonder aan heldenverering te willen doen of andere verzetsstrijders te willen vergeten, hem toch uit de vergetelheid te moe­ten halen.

Dat ik meer dan gewone belangstelling voor het gezin Spronk heb, komt doordat mijn moeder destijds een buurmeisje van Marinus Spronk was in het lieflijke Betuwse dorpje Rumpt aan de Linge.
Het toeval wilde dat mijn moeder, toen ze trouwde, in Gorcum terecht kwam en daar haar buurjongen ook weer aantrof. Dat is de reden dat ik, vanaf mijn kinder­jaren, als ik het over vader en moeder Spronk heb, over ‘mijn oom Rien en tante Jo’ spreek.
Ik herinner me hem als een vriendelijke, vrolijke man vol grapjes. Toch zat in deze man veel meer dan je oppervlakkig zou denken, zoals is gebleken.

Afb. 24: Marinus Sprank.

Het gezin Spronk
Marinus Spronk werd geboren op 5 november 1900 in Utrecht. Hij was ongeveer drie jaar toen zijn moeder stierf. Met zijn vader verhuisde hij daarop naar het Betuwse dorpje Rumpt. Op zevenjarige leeftijd verloor hij zijn vader.

Toen Spronk weer in Utrecht terug was, startte hij als aankomend graficus. Maar hij had het na een jaar al bekeken en verdiepte zich daarna in de elektronica.
In Utrecht ontmoette hij op een dansclubje een meisje, Johanna van Angeren (geboren te Montfoort op 24 september 1903), dat op last van haar ouders mee moest als chaperonne van haar iets oudere zus. Maar in plaats van op haar zus te ‘letten’, werd er op haar gelet door een jongen, die wel wat in haar zag.
De belangstelling en genegenheid voor elkaar groeide dermate, dat ze besloten te trouwen en verder als het echtpaar Spronk-van Angeren door het leven te gaan. Zij wisten toen niet wat de betrekkelijk nabije toekomst voor hen nog verborgen hield.

Hoewel te Utrecht geboren, werd hij een echte Gorcumer en leerde veel stadgenoten kennen. Dit kwam mede door de sigarenwinkel die het gezin in de Haar­straat op nummer 13 had en die overdag door zijn echt­genote werd ‘gerund’. In het gezin werden vier kinderen geboren: dochter Tilly, dochter Corry, zoon Ton en zoon Jan (allen gebo­ren te Gorinchem).

Afb. 25: De sigarenwinkel, Haarstraat nr. 13.
Links van Spronk was de sigarenzaak van Van Run, rechts die van Zwiers.

Zolder onder zwakstroom
De kinderen beschrijven het gezin als vrolijk en sfeervol. Tilly vertelt: ‘Moeder was een opgeruimd persoon, van wie alles kon en mocht.’

Corry vult aan: ‘Behalve zwemmen ging vader ook met het hele gezin fietsen, soms helemaal naar Beesd, een dorpje aan de Linge tegenover Rumpt, waar familie van ons woonde.
Soms deed hij gymoefeningen op een stoel, waarbij vader op een keer de leuning van de stoel brak.
Dat doet me denken aan die keer dat de pastoor, die flink aan de wicht was, bij ons op bezoek kwam. Bij het gaan zitten ging hij dwars door de zitting heen. Iedereen in de kamer lag dubbel van het lachen, inclusief mijnheer pastoor.

Afb. 26 Het gezin Spronk.

Vader bracht mij dikwijls op zijn nek naar boven en zat vol grapjes. Op een keer had hij de zolder, die moeder moest dweilen, onder zwakstroom gezet en als moeder dan gilde, rende hij naar boven en vroeg wat er aan de hand was. Stiekem had hij eerst de stroom afgezet en was er dus niets aan de hand. Als moeder het dan weer probeerde, stond er weer stroom op. Dan had vader de grootste lol.

En Ton en Jan herinneren zich het volgende.

‘Onze vader was een levenslustige sportieve figuur, die dikwijls op de fiets met ons er op uittrok. ’s Zondags ging hij dan met Jan voorop en mij achterop naar Lexmond, waar een vriend van vader, Van ’t Eind, woonde hij werkte bij Rijkswaterstaat. Wij konden dan naar hartelust spelen in de boomgaard, pruimen eten en eendjes kijken die in een met kroos overdekte sloot driftig aan het zwemmen waren.
Ook maakten we tochtjes op de rivier de Linge. Op een van die tochtjes ging pa met kroost in de geleende roeiboot van de familie Krielaart, die in een ark in het Kanaal van Steenenhoek langs het station woonde, richting Lingebrug. Onderweg werd Ton op Spartaanse wijze overboord gezet om te leren zwemmen. Jan, de jongste van de twee, had een gebreid zwempak aan en mocht op de nek van zijn vader zitten om zo de rivier de Linge mee over te zwemmen.’

Duiken van Lingebrug
Wat Jan en Ton zich ook nog weten te herinneren van hun vader was het duiken vanaf de in aanbouw zijnde nieuwe brug over de Linge (waar nu de A15 over gaat). Hij deed dat dan met een aangestoken sigaret aan, om, als hij weer boven kwam, door te gaan met ‘roken’, altijd onder applaus van de vele omstanders na dit stuntwerk. Ook gebeurde het eens na een feestje thuis, dat vader een beetje de hoogte had en met nog twee man de etalage van de sigarenwinkel in gingen. Maar wat de poes wel lukte, ging niet op voor het drietal. Na die niet-`stille’ omloop was er wel een enkele sigaar naar de Filistijnen, zodat pa ze niet meer kon verkopen en ze noodgedwongen zelf moest oproken.

Na de kerk ging vader wel eens schieten in de oude werkplaats van Van Mill bij de Gaswal en dan daar vandaan naar de Kolfbaan om te kegelen. De oude schietvereniging ‘Oom Paul’ was een zeer exclusieve club. Men kon niet zomaar lid worden. Twaalf leden was het maximum, omdat men maar één baan ter beschikking had en het anders te lang zou duren voordat men weer aan de beurt was. Pas bij vertrek van een lid kon een ander toegelaten worden, mits er geen tegenstemmer was, want dan ging het feest niet door. Opgaaf van redenen was niet nodig.

Na de meidagen van 1940 werd de schietvereniging, noodgedwongen, een kegelclub. De geweren waren toen al ingeleverd, dit ging vader en de andere elf leden wel aan het hart.

Bijzondere Vrijwillige Landstorm
Net voor de oorlog was vader bij de Bijzondere Vrijwillige Landstorm. Deze waakte in die tijd over Gorcum vanaf de St.-Janstoren. Ook vader ging voor de luchtwacht de toren op met Van Baardewijk, die een tabakswinkel had op de Grote Markt, bakker Werkhoven uit de Burgstraat en Buiteman van het café bij de Kanselpoort.

Afb. 27: Op de toren, voorop Van Asch; midden v.l.n.r. Werkhoren, Van Baardewijk, Spronk en Van der Giezen

Op een foto uit die tijd staan Piet van Baardewijk, Van Asch, J. Werkhoven, Marinus Spronk en commandant Van der Giezen (hoofdonderwijzer aan de openbare lagere school op de Kalkhaven).
Zij allen waren bij de BVL.

Toen de oorlog op 10 mei 1940 uitbrak, moest de post op de toren weg (het was te gevaarlijk daarboven) en verhuisde naar de openbare school in de Lingewijk. De zoon van bakker Werkhoven vertelde de auteur dat hij van zijn vader wist, dat Spronk met zijn geweer op de Duitse vliegtuigen stond te schieten toen zij overvlogen. Dit ontlokte Werkhoven de opmerking: ‘Man, je bent gek om daarop te schieten, ze merken er toch niets van.’ Tot zover Ton en Jan.

Dochter Tilly neemt het over:
‘De tiende mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Ik hoor pa nog zeggen: ‘Nu gaat Nederland naar de verdommenis.’ Hij had een uitgesproken gevoel tegen het nazidom in Duitsland.

Zijn geest was er een van vrijheid in denken, maar ook een van de daad. Zo lag hij ook wel eens in de clinch met de geestelijkheid in zijn kerk. De drang naar een eigen vrije meningsuiting was heel groot bij hem. Maar hij bleef trouw aan zijn Rooms-Katholieke Kerk. Dat hij later samenwerkte met communisten wil in geen geval zeggen dat hij dat ook was. Ja, in de oorlog kon zoiets allemaal. Men had één grote gezamenlijke vijand en die moest en zou tot elke prijs verslagen worden. Dat was dus de reden dat er zoveel mensen van verschillende pluimage in het verzet samenwerkten.

Vader had die dag wacht op de St.-Janstoren. Het was een vrijwillige burgerwacht van soldaten die met groot-verlof waren.
Toen hij hoorde van het Joodse gezin Nort (opticien in de Gasthuisstraat), dat zich op de eerste dag van de oorlog 10 mei 1940 vergast had, heeft hem dat diep aan het denken gezet.’ En dit is het begin van de periode waarvan ik vindt dat die meer bekend behoort te zijn. In het volgende gedeelte laat ik u daarom kennismaken met — cursief gezette —teksten ontleend aan: ‘Kort relaas van de groep Marinus Spronk’ hoofdstuk 33 uit Verzetssector tussen de Rivieren, door M. W. Schakel van vlak na de oorlog. Die teksten heb ik zonodig door koppen onderbroken. Ook heb ik er aanvullende gegevens tussen geplaatst van o.a. de kinderen die, al was de oudste net een tiener en de jongste van kort voor de oorlog, kennelijk toch al heel wat opgepikt hebben. Een juiste datering is echter niet altijd meer na te gaan.

Marinus Spronk, die lang voordat Stalingrad viel— het grote keerpunt in deze wereldworsteling — zijn plaats bepaald had…

Zolang ons volk in vrede voort kon leven was er niets opvallends aan deze man. Hij trad niet op de voorgrond. Zijn plaats koos hij welbewust op het achterste bankje van de samenleving. Hij was een stille in den lande. Wat klein van stuk, wat nerveus, een vriendelijke tinteling in zijn ogen, een vastbesloten gelaatsuitdrukking.
Hoe genoeglijk kabbelde ons nationale leven daarheen. Hij had een sigarenwinkel in de Haarstraat, was een gelovig katholiek, werkte als elektricien en bestuurde zijn gezin.

Voor mij ligt het bidprentje, uitgegeven na zijn dood. In Memoriam staat er op. En iets lager: voor God en Vaderland. Boven deze 6 woorden zijn beeltenis: een rustig, eenvoudig burger. Een man die zijn kerkelijke en maatschappelijke plichten vervulde, als duizenden anderen. Een man, die op Koninginnedag een oranje strikje opdeed en in de feestvierende schare volkomen teloor ging.
Een man, die het: ‘Den Vaderland getrouwe, Blijf ik tot in den Doet’ zong, zoals alle anderen het zongen. Die niet bevroeden kon, dat deze belofte, zingend afgegeven, eens waarlijk door hem zou moeten warden ingelost.

Ik vraag me beschaamd af Leeft het offer van deze man en van die duizenden anderen nog wel fel genoeg in het hart van ons, die leven mochten tot de bevrijding, die juichen mochten op het overwinningsfeest.

Zijn vriendelijke glimlach komt me, vanaf de prent, tegemoet. Ik wil niet denken aan het duizendvoudige verraad van ons volk, dagelijks gepleegd aan haar helden, die in het verzet vielen. Ik wil me verdiepen in het verzetsleven van deze man die tot zulke grote dingen in staat bleek, toen het vaderland riep, die zich welhaast dood heeft laten martelen, toen het er op aankwam zijn vrienden te redden. Aan hem en aan zijn medewerkers, die de bittere kelk van de Duitse onderdrukker zo diep hebben moeten ledigen, zij dit artikel gewijd.

Spronk, De Bie, mevrouw Buiteman, en Leenheer die hun vaderlandsliefde met de dood bezegelden.
De anderen, die de zware gang door gevangenis, concentratiekamp en bunker wel niet met de dood bekocht hebben, doch die deze martelgang tot het bittere einde volbrengen moesten.

De zaak Spronk wordt u niet verhaald om mensen te verheerlijken, doch enkel en alleen om het er nog eens diep bij u in te hameren: `De vrijheid is duur gekocht’.

Eerste contacten
In 1941 krijgt Spronk zijn eerste contacten met de verzetsbeweging. Voor die tijd had hij zo voor zichzelf weleens plannen gemaakt, maar de middelen ontbraken hem om effectief werkzaam te kunnen zijn.

Het begon met wat illegale blaadjes. ‘Vrij Nederland’ het eerst. Later kwamen de ‘Oranjekrant’, ‘Het Parool’ en ‘Slaet op den Trommele’ er bij. Eerst waren het er nog geen tien, maar Spronk soebatte bij zijn contactpersoon om meer blaadjes. Die kreeg hij op den duur. Zoveel, dat hij er alleen geen raad meer mee wist. Hij kwam in contact met de postbode Hendrik Peter de Bie, een warm patriot. In de eerste wereldoorlog was De Bie drie jaar onder de wapenen geweest. Toen was er de kans niet, de liefde voor volk en land met de daad te bewijzen. Nu die kans wel aanwezig is, grijpt hij ze met beide handen aan. Hij wordt de rechterhand van Spronk. Samen verspreiden zij de krantjes, De Bie neemt al spoedig het leeuwenaandeel voor zijn rekening. Hoe kan het ook anders voor een postbode.

Afb. 28: Onderscheiding van President Eisenhower.

Uitbreiding
Dan breidt het werk zich uit, langzaam maar zeker. Uit het één vloeit het ander voort. De Joden worden vervolgd. Dat brengt eerst recht werk aan de winkel. De mensen moeten ondergebracht worden, er worden contacten op het platteland gelegd. Hun meubeltjes en overige bezittingen dienen, indien enigszins mogelijk, gered te worden. De kring van medewerkers breidt zich uit. Het gaat op een organisatie lijken, doch Spronk houdt de kring van medewerkers beperkt tot de strikt noodzakelijke.
Dan volgt de arbeidsinzet. Het werkterrein wordt al breder. De onderduikers hebben bonkaarten nodig. Spronk neemt contact op met een andere groep: de bonnenvoorziening is vanaf die tijd verzekerd.

Tilly meent dat haar vader al eerder bij het verzet betrokken was, gezien het volgende relaas.
‘Thomas van Dam (badmeester) kwam met nog een ander uit Monster in de mobilisatietijd op de koffie bij ons in huis.
In augustus 1940 waren wij met ons gezin gelogeerd bij de familie Van Dam in Monster. Bij een wandeling over het strand mocht ik mijn eerste sigaret roken, die ik van mijn vader kreeg. Hoogstwaarschijnlijk was mijn vader toen al in het verzet, gezien de uitlating in het gesprek tussen vader en de badmeester dat je ‘dat’ je land niet aan kon doen, met andere woorden; je kon niet stil blij­ven zitten en de dingen maar op zijn beloop laten of aan anderen over laten. Ik was mij toen al wel bewust van enkele zaken, ik hoorde genoeg thuis en in de winkel, maar wist niet het hoe en waarom. Ik was in die tijd een jaar of elf/twaalf. Voor mijn jongere zus Corry, speelde dit in iets mindere mate.’

Ton en Jan wisten zich nog het volgende te herinneren.
De eerste onderduikers die vader hielp, waren Neder­landse militairen die hij goed kende. Drie of vier man kwamen frequent bij hem. Een ervan was Harry Ver­hoeven uit Geldrop, hij was drukker. Zo raakte vader in het verzet.
Bij de bloemenhandelaar Van Meeuwen in de Lingewijk (Zandvoort) werden onderduikers door vader gebracht. Ook werden Joodse mensen in die wijk ondergebracht. Bij boer De Graaf in Dalem zaten onderduikers in een hooischuur en die werden van brood, melk en vlees voorzien.
In Arkel bij boer De Jong waren ook onderduikers ondergebracht.
Ton ging bij slager Schram in de Gasthuisstraat vlees halen voor de onderduikers. Dit gebeurde via de achterkant aan de Groenmarkt.

In de kassen van de Landbouwproeftuin bij Kemperman bracht vader ook onderduikers, maar altijd slechts voor een paar dagen vanwege de mensen die daar werkten. In het feestartikelenwinkeltje van Flip Olivier, hoek Kruis­straat-Achter de Kerk, moest Ton altijd met een bepaald muntstuk betalen, maar hij wist de betekenis er niet van. (Hoogstwaarschijnlijk een code omdat Olivier ook in het verzet was).
Een zekere juffrouw Bos deed ook zaken voor vader en burgemeester Bulk van Dalem, Vuren en Herwijnen gaf informatie aan vader over ophanden zijnde razzia’s en over het fort Vuren.

Springstoffen en munitie
Het gewapend verzet komt ter sprake. Uit sloten en grachten wor­den geweren opgebaggerd, die de Hollandse militairen er in 1910 in geworpen hebben.
Het pakhuis van Spronk is groot genoeg. Daar worden de vuurwa­pens ondergebracht. De Bie wil er in ieder geval één dichter bij de hand hebben. je kunt immers nooit weten. In de stookkelder van het postkantoor onder een kleine trap verstopte De Bie een militair geweer met munitie. De stoker van de centrale verwarming, Leenheer, was in het complot betrokken. Het geweer moest ook eens beproefd worden, want aan een kapot geweer heb je niets. De sol­daat uit de mobilisatie weet daar wel raad op. In tegenwoordigheid van Leenheer lost hij een schot in de kolen. De spuit werkt prima. Wanneer Leenheer gepensioneerd wordt, wordt zijn opvolger (NB: i.e. Hendrik Schmidt) in het geheim ingewijd.

Jan vertelde dat er een lemen vloer was in het pakhuis in de Keizerstraat en dat hij daar niet onder mocht komen van zijn vader. Kennelijk bewaarde Spronk niet alles in het pakhuis, want in het achterhuis van de woning zijn bij het opbreken van de vloer aluminium pijpjes tevoor­schijn gekomen en Jan heeft er handenvol van in de kachel gegooid, wat een grote knal veroorzaakte.
Ook vond hij vlak na de oorlog nog grote scherpe patronen in huis die hij bij de Langebrug in het Kanaal van Steenenhoek gegooid heeft.

De Bie waarschuwde mensen met een aanklacht
Het feit, dat De Bie postbode was, kwam de organisatie op buiten­gewone wijze te stade.
Telkens vindt hij tussen de te bestellen post brieven voor de Ortskommandant. Wanneer dit dienststukken zijn, bestelt hij ze normaal.
Meent hij echter, dat er een luchtje aan zit, dan verdwijnen ze niet in de brievenbus bij de Ortskommandant, maar in de binnenzak van de postbode. Als regel waren het brieven, die aanklachten bevatten. Brieven geschreven door een Nederlander, die andere Nederlanders verried. De Bie waarschuwde de in de brieven genoemde personen. Hoevelen zouden alleen hieraan al hun vrijheid te danken hebben. De brieven zelf werden keurig netjes bewaard. Spronk verborg ze in een schoorsteen. Als het eenmaal omgedraaid zou zijn, dan zouden ze deze verraders ter verantwoording roepen (de brieven zijn weg, Spronk en De Bie dood, de verraders lopen vrij zeker nog rond, misschien lezen ze dit verhaal wel!).
Zo groeide het werk.

All-round verzetsman
Tilly vertelde dat haar vader van alle markten thuis was. `Van het vervalsen van persoonsbewijzen, distribueren van diverse illegale krantjes en vlugschriften, het in elkaar zetten van geheime zendapparatuur, het verzor­gen van bonkaarten en voedsel voor onderduikers en Joodse mensen, het laten onderduiken van deze personen, het versieren van munitie, wapens en springstoffen en het vervoer hiervan, tot het in veiligheid brengen van geallieerde vliegers toe.
Ik bracht ook illegale blaadjes en bonkaarten rond voor mijn vader, evenals anderen dat deden met illegale bladen.

Na de oorlog kwamen achter het behang ongeveer tien persoonsbewijzen vandaan. Op zolder zat een plank los waaronder een zendbuis lag (een speciale radiobuis voor een zendtoestel), die nooit door de Duitsers gevonden is. Vader vroeg eens aan mij: ‘Waarom zie jij toch alles?’ Vader was toen zijn tijd al vooruit, ook op het gebied van TV. Samen met de schei­kundeleraar Van Wagensveld voerde hij experimenten uit.’ Een van de jongens vertelde dat er een elektrische leiding achter het huis was, die naar boven ging en de grond in. Toen de S.D. van de Duitsers huiszoeking deed, hadden ze veel belangstelling voor deze leiding evenals voor een oude wasmachine (In verband met zendapparatuur?). ‘Onder de trap in het huis in de Haarstraat was een klok of iets in die geest dat tikte en mogelijk een zender was,’ veronderstelde Corry. ‘Het is niet zeker maar misschien zond hij uit in Esperanto.’

Jodensterren in Paardenwater
‘Een Joodse jongen uit Amsterdam was in 1942 bij ons thuis ondergedoken,’ herinnert Tilly zich.
‘Een keer dat er visite kwam, zei de toen nog kleine Jan tegen hen: ‘Andere Jan zit in de kast.’ Gelukkig is nie­mand op het idee gekomen dat er wel eens echt een andere Jan in de kast kon zitten. De kleine Jan had namelijk die naam diverse malen door vader en andere gezinsleden horen zeggen als Jack de Lange (een Joodse jongen) de kast in moest om zich voor een poosje schuil te houden voor de visite.
Dokter Schöyers moeder (een Joodse uit Amsterdam) heeft haar verjaardag nog gevierd met ons gezin en heeft die nacht vermoedelijk nog bij ons in de Haarstraat geslapen.’ Corry herinnert zich nog haar aandeel.

‘De opgenaaide Jodensterren van onderduikers moest ik in het Paardenwater gooien. Om het niet in de gaten te laten lopen, ging ik daar al spelende en springende met een springtouwtje langs.’ (Het Paardenwater is een water langs de noordelijke toegangsweg naar de binnenstad via de toen nog smalle Arkelpoort met daarvoor een smal houten bruggetje).

Veilig naar Amsterdam gebracht en toch gepakt
‘Moeke’, zoals moeder Spronk in verzetskringen genoemd werd, vertelde mij het volgende treurige verhaal. `In het begin van de oorlog hebben pa en ma Van Vriesland, een Joods gezin met twee kinderen (twee meisjes, Line van Vriesland, geboren 10 februari 1932 en Jetty van Vriesland, geboren 1 januari 1939) ondergedoken gezeten in het gehuurde pakhuis in de Keizerstraat. Tilly moest daar eten gaan brengen van mijn man. Vader Van Vriesland was koopman in manufacturen. Deze familie woonde Achter de Kerk nr. 5. (Niet te verwarren met de andere familie Van Vriesland, die op de Kalkhaven woonde). Pa heeft de kinderen weggebracht of laten brengen naar Amsterdam over het IJ. De ouders waren al in Amsterdam. Ik heb daarna de reis gemaakt naar Amsterdam-Noord om te zien of alles in orde was. Bij aankomst op het bewuste adres moest ik het antwoord krijgen: ‘De klok is gekocht’. Toen ik dit antwoord ontving, wist ik, dat alles goed was verlopen met de kinderen. (Daarna heeft ‘Moeke’ kennelijk de familie ontmoet, want gaat ze verder:) Van blijdschap werd ik gezoend en om de hals gevallen door vader Van Vriesland.
De volgende dag zijn pa en ma Van Vriesland met kinderen gepakt. Volgens zeggen door verraad van mensen aan de overkant in Amsterdam.’ De twee kinderen zijn omgekomen in het kamp Sobibor op 16 april 1943.

Illegale blaadjes onder Duitse handen weggegrist
‘Ook in huize Spronk waren er voortdurend angstperioden,’ zei Tilly, ‘vooral voor ‘Moeke’. Dan moest alles (illegale blaadjes) ineens weer het huis uit naar veiliger oorden al was het maar voor korte duur.’ In Huize Spronk was gezorgd voor een vluchtroute, vertelden de jongens. ‘In het bijkeukentje kon een raampje uit de sponning getild worden. Deze keek uit op het tuintje van de familie Baks, de achterburen. De weg leidde vervolgens via het Diaconiehuis (het voormalige Armenhuis) naar de vrijheid.

Niet alleen voor hen die werkzaam waren in het verzet liepen de spanningen soms hoog op. Ook voor de wederhelften en kinderen vonden soms beangstigende gebeurtenissen plaats.

Zo maakte Tilly het volgende mee.
‘Pa was ziek in bed met longontsteking en lag te ijlen, toen er plotseling huiszoeking kwam. Dit gebeurde tegen het eind van 1942 of in het begin van 1943. Op dat moment kwam ik uit school met mijn tas met boeken en overzag de situatie. Heel nonchalant en bij intuïtie gooide ik mijn tas met boeken op het tafeltje en pikte gelijktijdig een partijtje blaadjes Slaet op den Trommele’, die onderop lagen en de sleutel van het pakhuis in de Keizerstraat, mee in mijn tas, terwijl ik tegen mijn moeder riep: ‘Ik ga even boeken ruilen in de bibliotheek’. De moffen hadden hier niets van in de gaten.

Maar wat nu? Ik liep daar moederziel alleen met een tas vol illegaal spul door de stad te slepen niet wetend wat te doen, terwijl de moffen binnen waren en mijn vader erg ziek te bed lag. Ook voor mijn moeder moet het vreselijk beangstigend geweest zijn om niet te laten merken dat ze wel degelijk op de hoogte was van de illegale krantjes enz. Vader zelf was niet aanspreekbaar op dat moment vanwege hoge koortsen. Hij lag te ijlen en had het over appeltjes plukken. Hij wist toen van niets en was totaal van de kaart. Op dat moment maar gelukkig voor hem. Moeder moet toen wel ijzersterke zenuwen gehad hebben om hier goed doorheen te komen. Deze minuten moeten voor haar uren en uren geduurd hebben. Je kunt wel stellen, dat ze door een hel is gegaan. Ik liep maar wat te zwalken en dorst niet naar huis, omdat ik niet wist of de moffen al weg waren. Op straat zag ik mijn vriendinnetje, Riet van Run, dat naast mij woonde. Aan haar vroeg ik, of ze eens poolshoogte wilde gaan nemen op nr. 13 in de Haarstraat waar wij woonden. Uiteindelijk toen de kust vrij was, zijn we getweeën naar huis gegaan. Wonder boven wonder waren er geen Joodse mensen meer in huis. Ook de revolver en zender werden niet gevonden.’ Goed beschouwd heel slim van dat meisje, maar ook, wat moeten kinderen toen soms vroeg ‘wijs’ geweest zijn.

Als beeldtekening van die tijd kan ik het niet laten door te vertellen wat ik van een van de medewerkers van Spronk te horen kreeg.

Compact ‘Koos’
Jacobus Nicolaas Stempels (roepnaam: Koos) is geboortig uit een in Utrecht gevestigde familie. Hij was een zogenaamde nakomer, want zijn zuster en twee broers waren 10 tot 15 jaar ouder dan hij.
De familie Stempels was een zeer liberaal en uitermate politiek bewust levend gezin. Zo was dit gezin reeds in 1933, na het aan de macht komen van de nazi’s in Duitsland, ervan overtuigd, dat dit barbarendom spoedig vrijwel gans Europa zou overweldigen. Zij hadden ‘Mein Kampf’ van Hitler gelezen.

De oudste broer, Mr. Nicolaas Alexander Stempels (roepnaam: Klaas), 15 jaar ouder dan Koos, was reeds in de jaren dertig zeer actief in het helpen van Joodse en niet Joodse vluchtelingen uit Duitsland. Na de meidagen van ’40 was hij al spoedig actief in het verzet op alle denkbare manieren.
Over deze cultureel uiterst ontwikkelde, politiek zeer actieve en muzikaal uitermate begaafde man zou een boek te schrijven zijn; hier zal ik hem slechts waar nodig ten tonele voeren.

Tussen Klaas en Koos bestond een sterke band, die alleen maar sterker werd tijdens de oorlog en bezetting. Zij werkten veel samen in het verzet, waarbij Koos gezien zijn jeugdige leeftijd uiteraard een veel bescheidener rol speelde dan Klaas. Hun verzetswerk was uitermate gevarieerd, van het verspreiden van verzetsbladen tot het geven van inlichtingen aan de geallieerden en het gelegenheid geven tot radio-uitzendingen van gedropte geallieerde agenten en het helpen van neergeschoten geallieerde piloten. Zo stond er een zendinstallatie in de kamer van Koos in het ouderlijk huis (waar ook Klaas woonde). Kortom zij deden alles wat de vijand verboden had. Zij vertelden overigens heel verstandig elkaar nooit meer dan het hoognodige.
Koos werkte gedurende de gehele bezettingsperiode in het verzet onder eenzelfde schuilnaam en wel zijn eigen roepnaam ‘Koos’, hetgeen, naar hij mij vertelde, hem immer goed is uitgekomen.

Eind augustus 1940 trok Koos in Gorcum in bij de familie Sillevis op de Havendijk 16 om de vijfde en zesde klas van het Gorcums gymnasium te doorlopen. In 1942 legde hij het eindexamen met goed gevolg af. Hij kwam in contact met Spronk als klant in diens winkel en ook doordat Spronk als elektricien soms werkzaamheden verrichtte in huize Sillevis.
Tussen Spronk en Koos boterde het al spoedig, aangezien ze elkaar herkenden als goede vaderlanders. Overigens beperkten zich in die begintijd hun gezamenlijke verzetswerkzaamheden tot het uitwisselen van pakken verzetslectuur en het helpen van Joodse mensen om onder te duiken. Met name werd voor Joodse kinderen gezorgd.

Na zijn eindexamen keerde Koos terug naar zijn ouderlijk huis in Utrecht, maar hij bleef goed contact houden met Spronk.
Het was in zijn familie ondenkbaar, dat hij zich in de verhoudingen van die tijd, als student aan de Universiteit zou inschrijven. Daarom ving hij aan met een middelbare studie geschiedenis in Den Haag aan de School voor Taal- en Letterkunde, waarvoor hij eenmaal per week naar Den Haag heen en weer reisde. Overigens reisde hij veel, maar dan niet zozeer voor studiedoeleinden. Na de oorlog zou hij rechten studeren en deze studie aan de Universiteit van Utrecht met goed gevolg beëindigen.

Geheimagent moet verkassen door liefdesaffaire met meisje
Om de grote koelbloedigheid en het logische denken van zijn broer Klaas te tonen volgt hier nog een korte anekdote uit de verzetsperiode. Ik laat daarbij Koos zelf aan het woord.

In de tweede helft van oktober 1942 kwam ik tussen 18.00 en 18.30 uur thuis van een zending naar Gorinchem. Het betrof toen nog niet het vervoer van springstoffen van Gorinchem naar Utrecht, maar het vervoer van verzetslectuur van Utrecht naar Gorinchem. Ik trof mijn broer Klaas alleen thuis aan.
Deze vertelde mij het volgende: Het (volkomen betrouwbare) dienstmeisje, die middag alleen in huis vertoevend, had, op diens aanbellen, een man de deur geopend, die had gezegd, dat hij mij dadelijk wilde spreken. Deze man had gezegd, dat hij wist dat ik tegen de avond uit Gorinchem thuis zou komen en had te verstaan gegeven, dat hij ook wist waarom ik naar Gorinchem was gegaan en eveneens, dat bepaalde installaties zich in mijn kamer bevonden. Hij had naam en adres achtergelaten (deze ben ik vergeten; ik weet wel, dat het in de rivierenbuurt van Utrecht was).
Mijn broer zei mij, dat ik onverwijld daar heen moest gaan.

Ik voelde daar niets voor, maar mijn broer overtuigde mij, dat, indien het dan al gevaarlijk zou zijn daar heen te gaan, het nog veel gevaarlijker zou zijn niet te gaan. Dit getuigde van een onweerlegbare logica. Aldus met lood in de schoenen op mijn fiets naar het opgegeven adres, alwaar mij open werd gedaan door een man van ongeveer dertig jaar, die mij zei, mij te verwachten en mij naar een kamer bracht op de eerste verdieping. Hij zei mij, dat hij wist waarom ik die dag naar Gorinchem was gegaan, hetgeen mij natuurlijk in het geheel niet beviel. Nog minder was ik geamuseerd door zijn woorden, dat hij wist wat voor installatie zich op mijn kamer bevond alsmede, dat daarvan door een agent gebruik werd gemaakt. Hij trachtte mij gerust te stellen door te zeggen, dat hij een goed vaderlander was, maar dat die agent die, wat ik niet wist, in zijn huis onder dak was gebracht, zo spoedig mogelijk naar elders diende te vertrekken, want anders zouden er rare dingen gebeuren. De man, die al in het begin een nerveuze indruk had gemaakt, (zelf voelde ik mij overigens vanaf het moment, dat mijn broer mij erop uit had gestuurd, allesbehalve op mijn gemak) werd hoe langer hoe zenuwachtiger en vertelde mij, dat de agent het met zijn meisje (geliefde) had aangelegd. Hij voerde mij naar het raam van de kamer dat op de achtertuin uitkwam en wees op enkele struiken, zeggende hoe hij had gezien, dat aldaar de agent zijn meisje had gekust en dat zij beiden daar aan het vrijen waren geslagen.
In een zeer emotionele staat herhaalde hij, dat de agent naar elders diende te vertrekken en wel zo vlug mogelijk, anders zou het er voor deze en voor mij alsmede voor mijn broer erg slecht uitzien. Ik trachtte hem wat tot bedaren te brengen door te zeggen, dat men ‘de zaken van het meisje diende te scheiden’, maar niets hielp.

Na een lang heen en weer gepraat vertrok ik maar, bracht verslag uit van een en ander aan Klaas, die onmiddellijk besliste dat de agent met installatie diende te vertrekken, hetgeen Klaas slechts enkele dagen later realiseerde. Deze wat vreemde gebeurtenis (maar in het verzet vonden nog wel vreemdere zaken plaats) had mij hevig verontwaardigd. Ik vond het geen manier van doen om verzet en vrouwenhistories op zo’n manier te vermengen. Een en ander vond nog in de maand oktober plaats; ik herinner me nog, dat het voor de tijd van het jaar een mooie dag was.’ Aldus was de agent alsmede de zendinstallatie al enige weken voor de inval in november vertrokken.

Klaas Stempels gefusilleerd
In de nacht van 17 op 18 november 1942 werd Klaas gearresteerd en weggevoerd uit het ouderlijk huis. Hij werd op 9 oktober 1943 na een uitgebreid proces gefusilleerd op Fort Rhijnauwen, niet ver van huize Stempels.

Na zijn arrestatie bleef de familie onder arrest in huis, te weten de beide ouders Stempels en Koos. De eerste uren bleven zij onder toezicht van de beruchte rechercheur Smoorenburg, een van de weinige landverraders die na de oorlog gerechtelijk ter dood werden veroordeeld en ook daadwerkelijk geëxecuteerd.
Het behoeft geen betoog, dat de familie zeer terneergeslagen was en dat hun verhouding tot Smoorenburg nu bepaald niet hartelijk was, vooral niet toen vader Stempels enige lectuur, waaronder het Van Kleffens-rapport (dat dus in Londen was uitgegeven) in de brandende kachel stopte.

Joods meisje onder ogen van aartslandverrader gered
Toch was Koos van mening, dat er iets moest worden ondernomen, want op de tweede verdieping van het ouderlijk huis sliep een nog jong Joods meisje, dat aldaar was ondergedoken.

Koos vroeg zijn moeder thee te zetten – zij begreep onmiddellijk de list – en Koos trachtte uit te vinden waarnaar de belangstelling van Smoorenburg buiten diens beroep uitging. Tot zijn geluk had Koos dat al gauw uitgevonden: de rechercheur was een verwoed postzegelverzamelaar. Hoewel Koos geen filatelist was, wist hij toch nogal iets van postzegels af, zodat een buitengewoon geanimeerd gesprek ontstond tussen hem en de landverrader. Hij koutte opgewekt met hem over de ‘blauwe Mauritius-zegel’ tot en met de laatste uitgaven, ervoor zorgend, dat Smoorenburg voornamelijk het woord had, door hem door vele vragen uit te lokken.

Ondertussen was zijn moeder zo geruisloos als zij kon, naar boven gegaan al waar de onderduikster, een buitengewoon intelligent meisje, zich al had aangekleed. Heel stilletjes daalden mama Stempels en het meisje de trappen af. Koos hoorde tijdens de filatelistische betogen enkele treden kraken en de klink van de keukendeur bewegen, maar Smoorenburg hoorde gelukkig niets en het Joodse meisje was in de tuin in het pikkedonker. Zijn moeder kwam binnen, redderde wat met de thee en kon weer even verdwijnen om het nog warme bed om te leggen en weer in een toestand te brengen, als had daar niemand geslapen.

Op aanraden van mama Stempels was het meisje, via het pad achter de tuinen, enige huizen verder de tuin ingegaan van de familie Brandt Corstius, goede vrienden en buren, en als anti-nazi-gezinde mensen volkomen betrouwbaar. Door steentjes tegen de ruiten van hun huis te gooien wist het meisje de familie te wekken. Zij werd zorgzaam opgenomen.

Zij kwam de oorlog goed door en leeft al vele jaren in een kibboets in Israël en is al grootmoeder. Koos kan zich nog altijd uitzonderlijk verheugen over het feit, dat het gelukte onder de bewaking van de aartslandverrader Smoorenburg een Joodse onderduikster te redden.

Als een goochelaar
De familie bleef onder bewaking tot de avond van 19 november toen twee lieden van de S.D. kwamen om het huis te doorzoeken en de familie te ondervragen. De ene S.D.’er was een grote dikke man, die, naar Koos later bij geruchte heeft vernomen dubbel spel speelde, ja eigenlijk aan de goede kant stond. Hij doorzocht de kamer van Klaas, maar daar was niets te vinden. Wel deelde hij de ouders van Koos mede, dat het er voor hun zoon Klaas niet best uitzag. Bij geruchte heeft Koos naderhand vernomen, dat deze dubbelagent tenslotte door de Duitsers ter dood is gebracht.
De andere S.D.’er was een magere, onaangename man, een soort fretachtig wezen. Hij nam Koos mee naar diens kamer en begon die kamer bijzonder systematisch te onderzoeken.

Alle boeken werden bekeken alsmede grote stapels brieven werden door hem nauwkeurig doorgelezen. Dat laatste beviel Koos niet, want hoewel het allemaal brieven waren waarin niets belastends te vinden was, bevond zich in de grote stapel een brief, die Koos om sentimentele reden bewaard had en waarin een toespeling werd gemaakt op clandestien voedsel.

Hoewel het geen ernstige zaak betrof, besloot Koos toch tot actie over te gaan. Hij vroeg de S.D.’er of deze iets te drinken wenste, bijvoorbeeld thee. Na een bevestigend antwoord kreeg hij verlof naar beneden te gaan om zijn moeder te vragen met thee te komen. Zijn moeder begreep ogenblikkelijk, dat die vraag naar thee niet voor niets werd gesteld.
De S.D.’er ging door met zijn systematisch onderzoek: een stapeltje gelezen brieven, een stapeltje nog te lezen brieven. In dat laatste de brief die Koos liever niet gelezen zou zien. Daar kwam mama met de thee. Enige bereddering: ook de S.D.’er ging aan de thee… Als de weerlicht zo snel – je hebt in bepaalde omstandigheden onvermoede krachten, bijvoorbeeld als van een goochelaar, zo zei Koos mij – greep Koos de bewuste brief uit het stapeltje te lezen brieven en stopte die in het stapeltje gelezen brieven, zonder dat de S.D.’er er iets van merkte.
Weer had thee uitkomst gebracht… Heel zijn kamer werd nauwkeurig onderzocht, maar er werd niets belastends gevonden.
Daarna begon de S.D.’er Koos te ondervragen. Dat was niet zo plezierig. Met name wenste de S.D.’er te weten welke contacten Koos onderhield met De Bouvrie, een naam die Koos niet kende, waarschijnlijk een verhaspeling van de naam Binnert de Beaufort, met wie Koos zeer sporadisch contacten had gehad in opdracht van Klaas.

Het was dus niet zo moeilijk voor Koos contacten te ontkennen, maar de S.D.’er wond zich zozeer op, dat hij op een gegeven moment Koos een kaakslag gaf. Het deed niet eens erg pijn, zo vertelde Koos, maar later bleek wel zijn kaak gebroken te zijn.
Na onderzoek en ondervraging van de S.D., wat dus niets had opgeleverd, werd het arrest van papa, mama en Koos Stempels opgeheven.

De volgende dag dook Koos als een haas onder: immers, Klaas kon van zoveel zaken worden beticht, waaraan Koos had meegewerkt, dat een fikse onderduik geboden was. Koos begon een zwervend leven te leiden, meestal ondergedoken in (grote) steden, want op het platteland kon je te veel in de gaten lopen, al verbleef Koos soms ook daar, wanneer dat nodig was. Maar dan maar voor enkele dagen. Tenslotte dook hij begin 1944 onder in… zijn eigen ouderlijk huis, al sliep hij zo nu en dan elders. De ouders, hoe zeer ook getroffen door de dood van hun oudste zoon en ongerust over het lot van hun enige dochter, die sinds 1938 in Indië verbleef; gaven nimmer de moed op.

Zij pleegden het nodige verzet en tot de bevrijding bevonden zich steeds Joodse onderduikers in hun huis. Na de arrestatie van zijn broer Klaas zette Koos zich meer en meer in in het verzet. Zo nam hij contact op met Dr. Johan Brouwer, die onder andere tot de verzetsgroep C.S. 6 behoorde. (Zie de biografie van Johan Brouwer, van de hand van Hendrik Henrichs, uitgave Arbeiderspers, 1989).

Ook het contact met Spronk werd zeer intensief. Spronk leverde Koos springstoffen en kleine wapens. Met name de springstoffen – trotyl, net blokjes zeep, zo zei Koos mij – vervoerde hij in koffers van Gorcum naar Utrecht, soms met de trein (maar dat was vanwege controle op de stations van Gorcum, Geldermalsen en Utrecht niet de meest wenselijke methode), maar meestal met de bus. Dat nam wel meer tijd, maar was niet zo riskant. Men kon de bus midden in Gorcum nemen en uitstappen op het Ledige Erf in Utrecht, waar Brouwer vlakbij woonde. Toch had Koos een merkwaardig gevoel toen hij tijdens een van zijn reizen met de koffers vol met trotyl in de bus zat en een N,S.B.’er in uniform naast hem kwam zitten.

In het boek van Henrichs over Johan Brouwer staat een zin, die tot een onjuiste conclusie kan leiden, te weten: `Toen er – na de moord door Kastein en een andere `student’ op generaal Seyffardt – op 6 en 9 februari 1943 grote razzia’s werden gehouden op mannelijke studenten en Stempels daarom niet meer veilig kon reizen, werden de tochten van Gorcum naar Utrecht gemaakt door Mechteld van Hardenbroek’. Einde citaat.

Hieruit zou men kunnen opmaken, dat Koos nadien geen trotyl meer vervoerde. Nu, dat is geheel onjuist. Over die razzia’s op studenten maakte Koos zich geen zorgen. Die razzia’s waren op ‘officiële’ studenten gericht en, zoals hiervoor vermeld, was hij niet als student ingeschreven.
Bovendien, wat was in die tijd ‘veilig’ reizen met een koffer trotyl? Koos bleef het vervoer van springstoffen verder verzorgen, ook in samenwerking met Mechteld van Hardenbroek, met wie hij inmiddels in contact was gekomen, en die onder de schuilnaam ‘Marietje’ werkte. Koos vertelde mij nog, dat na de oorlog de advocaat Frans van Ravenswaay hem processtukken liet zien, waarin sprake was van ‘de terroristen Marietje en Koos’. Koos vond dat hoogst vermakelijk.

Contact met sabotagegroep C.S. 6 Amsterdam
Voor een deel ontleend aan het relaas van Schakel.

Zoals eerder vermeld, komt er begin 1943 een nieuw contact bij. Dit maal met een zeer belangrijke sabotagegroep in Amsterdam: de organisatie C.S. 6. Deze organisatie heeft veel gevaarlijk werk verricht, blies het bevolkingsregister in Amsterdam op, pleegde allerhande sabotagehandelingen en ruimde allerlei verkeerde individuen op: generaal Seyffart, de N.S.B.er Reydon, politie-president Kerlen, kapitein Kaay uit Enschede, om enkele van de belangrijkste liquidaties te noemen.

Het contact met C.S. 6 liep via Koos, 21 jaar, en koerierster Marietje’, een 25-jarige studente. Alleen Spronk onderhield dit contact. De overige leden van zijn groep wisten er niet veel van af. Alleen De Bie wist meer. Namens C.S. 6 kwam ook alleen Marietje van tijd tot tijd naar Gorinchem. Uit die dagen dateert de schuilnaam van Spronk. Max werd hij in illegale kringen genoemd. Zijn brieven ondertekende hij met G13.

Koos en Marietje hadden springstoffen nodig. Max moest er voor zorgen. Max neemt contact op met mensen, die verstand van springstoffen hebben.
De omgeving van Gorcum is rijk aan forten en depots. Daar zit nog wel het een en ander. De postzak van De Bie doet dienst bij het transport. Bovendien experimenteren de deskundigen om met behulp van wat grondstoffen, zelf explosieve materialen te maken.
Amsterdam is onverzadigbaar. Telkens en telkens weer kloppen ze aan om plofmiddelen. Max en zijn mannen zwoegen bij nacht en ontij om de bestellingen op tijd af te werken. Amsterdam is niet gauw verzadigd, maar tekort is er nooit.

Bij al die verschillende werkzaamheden is Max de centrale figuur. Zijn medewerkers kennen elkaar vaak niet en zijn in ieder geval niet op de hoogte van elkaars werkzaamheden.
Max houdt op meesterlijke wijze de touwtjes in handen. Hij is gesloten als een pot, zelfs tegenover zijn eigen vrouw.

Spronk woonde op Haarstraat 13, vandaar G13: Gor­cum nr. 13.

Iemand die verstand had van springstoffen was G. van Wagensveld, leraar aan de RHBS en het Gymnasium te Gorcum. Zeker de kinderen Spronk wisten er niets van, maar (achteraf) vermoedden ze toch wel iets. Zo vertelde Corry: ‘Scheikunde-leraar Van Wagensveld bracht suiker om likeur van te maken. Er stonden een paar flesjes met gekleurde vloeistof onder in een kastje. Ik heb er wel eens stiekem aan geroken, maar er zat geen reuk aan.’ (Misschien is dat van die likeur wel met opzet door haar vader gezegd en was de inhoud van die flesjes bestemd om er explosieven van te maken.)

Waar haalde Spronk munitie en wapens weg?
Voor het verkrijgen van explosieven waren er ook andere wegen. Tilly vertelde mij het volgende over haar vader.
‘Hij wist in diverse vermommingen en hoedanigheden binnen te dringen waar wat van zijn gading was: bijvoorbeeld in een van de forten, als elektricien voor de verlichting via zijn baas, de firma Gloudemans van de Langendijk.’

Ton weet zich de dag te herinneren dat hij achterop de fiets van zijn vader naar het fort Giessen ging en dat hij buiten moest blijven spelen en zich vermaken met de geitjes en ander loslopend vee, terwijl vader het fort in ging.
Uit de bestaande Duitse procesgegevens blijkt naar mijn mening, dat Spronk de Duitse S.S. aardig om de tuin geleid heeft, door heel vaag te vertellen van een fort langs de weg van Sleeuwijk naar Breda. In die buurt liggen namelijk diverse forten.

Spronk heeft zich in het proces weten te profileren tegenover de S.S. als een beetje onnozel en wat pocherig man, zodat zijn ondervragers niet precies wisten wat ze aan hem hadden en Spronk de vragen steeds kon afdoen met veel grootspraak van zijn kant.
Hij wist hierdoor te bereiken dat hij veel zei, zonder iets te verraden op het gebied van namen van personen en zaken, zoals forten waaruit hij munitie en/of wapens smokkelde. Misschien is het ook om deze reden dat zijn zoon Ton niet mee het fort binnen mocht. Mogelijk heeft Spronk hem als een soort camouflage op zijn tocht meegenomen.

Daar Spronk hoogstwaarschijnlijk in verschillende forten geweest is het fort Altena (volgens M. W. Schakel) en het fort Vuren (volgens Koos Stempels, zie Johan Brouwer van de hand van Hendrik Henrichs op blz. 358 uitgave De Arbeiders Pers) — is het moeilijk na te gaan uit welk fort hij de meeste wapens en/of explosieven kreeg dan wel gehaald heeft, hetzij alleen, hetzij in samenwerking met postbode De Bie (al dan niet in uniform). Vader Spronk ging naar de fortwachter. Naar mijn mening zou dit Van Deursen geweest kunnen zijn. Dit verhaal zou kloppen met het verhaal van de dochter van Van Deursen, mevrouw Koekkoek-van Deursen, die mij vertelde van de schaapjes en geiten buiten het fort. Helemaal zeker is dit niet, omdat in het proces van Marinus Spronk niet exact de naam van het fort genoemd wordt; wel staat op een van de stukken tussen haakjes de naam Giessen erbij geschreven, maar dit zou er ook later bijgevoegd kunnen zijn.

Mevrouw Koekkoek verhaalde me nog wat van het leed dat een oorlog meebrengt en van die kleine ‘verzetsda­den’ die soms gepleegd werden. Hoewel ze met Spronk niets van doen hebben, wil ik ze de lezer niet onthou­den.

De fortwachtersdochter vertelt
‘Ik ben de dochter van de fortwachter Van Deursen, die destijds in het huis vlakbij het fort Giessen (NBr) woonde en echtgenote van de heer Koekkoek. We hadden onderduikers in huis en er waren ook wapens en munitie aanwezig.
De moffen dreigden het huis op te blazen. We hadden Pantzerfausten in ons huis liggen. Mijn man zat ook in het verzet. Hij verzamelde inlichtingen over de hoeveelheden manschappen van de Duitsers. In 1942 is het fort dichtgemetseld, maar daar werd mee gesaboteerd, onder andere ook door mijn man. Er werd namelijk meer zand dan cement in gestopt. In 1944 was het dan ook gemakkelijker het weer open te breken.

Mijn broertje van vijftien met een vriendje gingen, zonder dat iemand het wist, vlak na de bevrijding op het fort zand halen om gevangen paling gemakkelijker te hanteren. Uit nieuwsgierigheid gingen ze op onderzoek. Na tien minuten werd een ontploffing gehoord en de twee jongens waren niet meer.
Dit zijn de zeer trieste feiten, die bij oorlog kennelijk onvermijdelijk zijn en geen onderscheid kennen in per­soon en leeftijd.

Luizensoep
De ingekwartierde moffen moesten het fort in en mijn vader met gezin ook, vanwege de beschieting van het huis. Moeder moest verplicht koken voor de moffen. Haar hand verbrandde ze in kokend water. Mevrouw Schouten-van Vugt (een goede bekende van moeder Van Deursen) zei: ‘Kom maar bij ons, wij hebben een soort dokter in huis, een onderduiker, die kan je hand wel behandelen.’ Bij het klaarmaken van de soep heeft moeder bij wijze van ‘afwisseling’ alle beschikbare luizen in de soep van de moffen gedaan. In die tijd was er geen gebrek aan luizen, dus hoefde je er ook niet op een paar te kijken, vandaar die ‘grootmoedige’ geste van mijn moeder.

Jan Hak, een goede bekende van ons had wapens in het fort verstopt onder de vloer. Hij had ook vier onderdui­kers in huis. De moffen kwamen kijken naar plaats voor ongeveer veertig soldaten. Hak zei: ‘Er heerst hier een besmettelijke ziekte, namelijk dysenterie’. Dit was een smoesje om tijd te winnen dat de onderduikers weg konden komen naar een veiliger oord. Later kwamen er toch een veertigtal moffen in huis, maar toen waren de `vogelvrijverklaarden’ met de noorderzon vertrokken.’

Met explosieven en/of wapens en munitie op reis
In de trein, als Spronk naar een of andere bijeenkomst van het verzet moest in Den Haag of Amsterdam, reisde hij meestal met het insigne van de N.S.B. op zijn revers. Dat had natuurlijk het voordeel dat iedereen hem links liet liggen en als er een razzia in de trein was, werd hij als ‘pro Duits’ overgeslagen als het om het tonen van een Ausweis ging.

Spronk werkte, zoals eerder vermeld, onder andere voor de Amsterdamse sabotagegroep C.S. 6. Hij leverde springstoffen, die door ‘Marietje’ en ‘Koos’ naar C.S. 6 werden vervoerd. Deze twee en Spronk waren een team. De activiteiten van dit team stonden buiten elk ander verzetsverband in Gorcum.

Als Spronk op ‘reis’ ging met zijn bijna onafscheidelijke koffertje, gebeurde het wel eens dat hij bij familie in Amersfoort aanging en dan een nachtje overbleef met zijn koffertje. Dit was bij zijn broer Piet Spronk.
Als men daar naar zijn koffer vroeg, kreeg men een ontwijkend antwoord en zei Marinus Spronk met klem en nadruk: ‘Denk erom, NIET aan mijn koffertje komen’ en bewaakte het letterlijk als zijnde zeer ‘gevaarlijk spul’. Een nicht van Tilly Spronk weet zich nog te herinneren dat haar oom (Marinus) op die bewuste dag, dat kleine zwarte koffertje (een soort attachékoffertje) bij zich had en er niet vandaan was te slaan als ware het met een sterke magneet aan hem verbonden. Ze dacht niet dat er explosieven in zaten, maar wel munitie en een vuurwapen.
Opmerkelijk vond zij het wel, dat juist op die dag het distributiekantoor van Amersfoort overvallen werd en er een partij bonkaarten verdwenen was.

Voor de rest waren zij van niets op de hoogte, want over die dingen sprak oom Rien niet. In diezelfde periode werd de familie in Den Bosch (een neef van Marinus Spronk) plotseling met een bezoek van hem (Marinus) verrast en moesten alle ‘spullen’ die hij daar veilig opgeborgen had als de weerlicht verkassen naar elders.

11. Gorcumse verzetsgroep opgerold

Contact met Engeland verloren, nieuw contact wordt fataal
In de zomer van 1943 verliest Max het contact met een groep in Rotterdam, doordat zijn contactpersoon gearresteerd wordt. Dit was daarom zo erg, omdat over die Rotterdamse groep zijn contact met Engeland liep. Max vertelt dit aan Marietje. Marietje weet raad. Een medewerkster van haar staat ook in contact met een koerier op Engeland. Best mogelijk, dat het dezelfde koerier is en mocht dit niet het geval zijn, dan kan er een nieuw contact met hem gelegd worden. Marietje stelt Max voor hem in contact te brengen met haar medewerkster, Truus. Max gaat er akkoord mee.

Op zaterdag 11 september ontmoet Max de bewuste Truus achter het station in Haarlem. Truus was vergezeld van Lou Boissevain. Er werden verschillende dingen afgesproken.
Wat betreft het contact op Engeland, daarover zouden ze zondag 19 september nog eens samenkomen, dan achter het station in Den Haag. Die afspraak is Spronk noodlottig geworden.
Helaas was in de organisatie C.S. 6 verraad binnengeslopen.

Het begon met Truus.
Truus is de verzetsstrijdster Truus van Lier. Zij heeft in Utrecht op 3 september 1943 op de hoek van Walsteeg en Willemsplantsoen de N.S.B.-hoofdcommissaris van politie Kerlen doodgeschoten. Deze dwong politieagenten Duitse bevelen op te volgen, o.a. tot het arresteren van Joden.

Volgens de laatste alinea uit Schakels ‘Kort relaas’ zou Truus 14 september gearresteerd zijn. In het boek: `Utrecht in de Oorlog’ van de hand van Ank Robben, Uitgeverij Vredesopbouw, 1990, blz. 26, werd Truus door een N.S.B.’ster verraden en is zij opgepakt in oktober 1943 en overleden in november 1943 in een concentratiekamp.

Dan volgen de arrestaties elkaar snel op.
Tot de gearresteerden behoort ook Loe, de man met wie Spronk het onderhoud achter het station in Haarlem had.
Die arrestaties verliepen niet allemaal even vlot. In Amsterdam wordt een dokter gearresteerd. De dokter wordt naar Den Haag overgebracht. Daar vertelt deze, dat hij in een café iemand zou ontmoeten. De S.D.’ers zijn er als de kippen bij. Een paar man schuiven van ie voren aan een tafeltje. Even later zal de dokter komen. Om geen argwaan te wekken, is de dokter ongeboeid. Hij wordt met een auto, vergezeld door twee S.D.’ers in burger tot in de nabijheid van het café gereden. Eén S.D.’er stapt aan de linkerkant uit, de andere met de dokter aan de rechterzijde. De dokter, die het hele verhaal van zijn ontmoeting uit zijn duim had gezogen, ziet zijn kans schoon. Bij zijn fouillering had de S.D. niet bemerkt, dat hij een geladen pistool tussen zijn lies had hangen. Nu zijn handen vrij zijn, grijpt  hij naar het pistool, schiet de S.D.’er neer en slaat op de vlucht. De andere S.D.’er, die wel het schot hoorde, maar de ware toedracht niet door had, zet de achtervolging in. De dokter slaat een zijstraat in. Het is helaas een straat, die doodloopt tegen de spoorbaan aan en daar met prikkeldraad afgezet is.
Bij de afrastering draait de dokter zich om en blijft rustig staan. Als de S.D.’er vlakbij is, hoort hij op buikhoogte het geluid van een afgeschoten weigerend pistool. Hij rukt de jas van de dokter open en ziet het pistool bungelen. Toen was er voor hem geen ontkomen meer aan.

De situatie was dus zo, dat in die week de beide personen, waarmee Spronk voor het eerst kennis gemaakt had, gearresteerd waren. Marietje noch hij waren hiervan op de hoogte. Welgemoed ging Max zaterdag 18 september vanuit Gorcum op reis.
Om half vier vertrok hij met de trein naar Amsterdam. Daar zou hij Marietje ontmoeten om dan de daarop volgende zondag op de afgesproken plaats en het afgesproken uur Truus en Loe te ontmoeten. Max neemt afscheid van vrouw en kinderen. Zondagmiddag hoopt hij weer terug te zijn. Hij reist zijn onheil tegemoet.

Marietje door voorzienigheid gered
De ontmoeting met Marietje ging normaal door. Alleen sprak Zij er haar verwondering over uit, dat zij de hele week niets van Truus gehoord had. Zij had de voorgaande dinsdag een afspraak met haar. ’s Morgens had ze nog opgebeld, dat ze beslist zou komen, maar ’s middags was ze niet komen opdagen (dit klopt, want zij was juist die middag in Haarlem gearresteerd).
Spronk doet wat nerveus als hij dit verhaal aanhoort. Zou hij bij intuïtie aangemeld hebben, dat het niet goed zat? Maar het werk moet doorgaan en zij aarzelen dan ook geen van beiden: de afspraak moet nagekomen worden.

Marietje zal morgen mee naar Den Haag gaan, dan kan ze haar zaken met Truus regelen. (Een astma-aanval heeft haar verhinderd om mee te gaan, dit bleek haar achteraf het leven te hebben gered). Spronk kijkt zijn pistool, dat hij steeds bij zich draagt als hij op reis is, nog eens na. Het valt Marietje op, dat hij maar weinig munitie bij zich heeft.
Dan nemen zij afscheid. Tot morgen! Zij hebben elkaar niet weer gezien.

Loe wordt gearresteerd
Wat was er intussen met de arrestanten gebeurd? Loe, die in Heemstede gearresteerd werd en die persoonlijk verschillende voor­aanstaande N.S.B.’ers neergelegd had, wordt onmiddellijk na zijn arrestatie aan een beestachtig verhoor onderworpen.Reeds spoedig komt hij tot de allerellendigste ontdekking, dat er verraad in de groep is binnengeslopen.
Gedurende enkele minuten is hij, de stoere verzetsstrijder, niet meer zichzelf en rolt het er uit, dat hij zondagmorgen achter het station Staatsspoor in Den Haag een kleine man zou ontmoeten. Hij schildert het signalement. Daarmee was het lot van Spronk bezegeld.

Zondagmorgen 19 september 1943.
Max gaat in zijn een je op stap naar Den Haag. Hij draagt een koffertje bij zich. Achter het station Staatsspoor aangekomen, ziet hij Loe noch Truus. Geen bezwaar, hij zal hier wat rondlopen. Straks komen ze wel. Hij wacht tien minuten. Hij wacht een kwartier. Nog steeds niets te zien.
In de verte nadert een groepje zondagse wandelaars, van de andere kant komen er ook enkelen aan. Vlak bij Max ontmoeten ze elkaar. In een seconde tijds is hij omsingeld. Hände hoch’.
`Verraad’, zal het door zijn brein geflitst hebben.

De overmacht is groot, maar zich zonder meer overgeven, nooit.
Hij trekt zijn pistool, schiet om zich heen. De S.D.’ers schrikken terug, hadden dit niet verwacht. Dan is zijn munitie op. Hij wil de vlucht nemen. Tevergeefs.
Er wordt op hem gevuurd. Een schot treft hem in zijn been. Zwaar gewond, slaat Max tegen de grond. De S.D. heeft gezegevierd.
Het commando, dat onder bevel staat van de criminaal-secretaris, Friedrich Christiaan Viebahn, draagt hem in de overvalwagen. In triomf rijden ze naar Amsterdam terug. Max krimpt van pijn.
Op de Dienststelle in Amsterdam wordt hij direct gefouilleerd. Men vindt een politiepersoonsbewijs op hem.

Ook nu past de S.D. de bekende methode op hem toe: direct verhoren. Max is haast bewusteloos van pijn en door het bloedverlies.
Hoe zal dit lichaam de onmenselijke verhoren weerstaan? De S.D. lacht in haar vuistje. Dit wordt een gemakkelijk karweitje. Deze man is nu reeds lichamelijk gebroken, erg lang zal zijn geest niet bestand zijn tegen het satanisch verhoor.
Bovendien heeft Loe gezegd, dat Max een meisje uit Amsterdam naar Den Haag zon meebrengen. Dat is een aanknopingspunt voor de heren. Daarmee zullen ze hun overdonderingstactiek toepassen. Het verhoor begint…!

Wie is het meisje, dal uit Amsterdam mee naar Den Haag zou komen?’ Waar woont ze?’ Van wie hebt u dit politiepersoonsbewijs gekregen?’ Wat is uw rol in C.S. 6?’ Dit zijn de hoofdpunten uit het eerste verhoor. Het eerste verhoor, dat altijd het moeilijkste is, omdat het dan nog een zoeken en tasten over en weer betekent. Wat weet de S.D. van me af? Hoe red ik mijn medestrijders? Hoe verzin ik een smoesje, dat klopt met de gegevens, die de heren waarschijnlijk van me hebben? Voor Max is dit verhoor dubbel moeilijk. Hij rilt van wondkoorts, zijn heup doet hem vreselijk pijn. Bovendien moet hij nog tot de ontdekking komen, dal er verraad in hel spel is. De S.D. blijkt al heel wat van hem te weten.

Het maakt zijn strijd om niets van betekenis te zeggen, nog des te zwaarder.
Maar hij verzet zich. Hij verzet zich tegen de knagende pijn, hij verzet zich tegen de gevaarlijke gedachte, het maar te zeggen, om rust te krijgen. Max vecht met de moed der wanhoop. Nu, in ieder geval niets loslaten.

Niemand van de medewerkers, zelfs zijn vrouw niet, weet, dat hij hier op deze Dienststelle in Amsterdam vertoeft, gevangene van de S.D., kapot geschoten heup, zwaar verhoor.
Eerst moet het bericht, of in ieder geval het vermoeden, dat hij gearresteerd is, doorgedrongen zijn in Gorinchem. Dan kunnen zijn medewerkers hun maatregelen treffen. De boel ruimen, zelf onderduiken. Als dat allemaal gebeurd zal zijn, dan zal hij (nog) met de moed der wanhoop ervoor vechten om te zwijgen. Maar als het dan totaal niet meer te harden is, dan kan hij wat loslaten, zonder dat het ernstige gevolgen heeft.
Nu echter, vandaag, deze zondag, hier in het folterkamer je van de Sicherheitsdienst, Dienststelle Amsterdam, luidt het consigne: Zwijgen! En Max zwijgt…

‘Moeke’ op de proef gesteld
Maandagmorgen, 20 september. Marktdag, normale drukte in de Haarstraat.
In het sigarenwinkeltje, net vóór de kerk, hangt een nerveuze sfeer. Spronk had beloofd, zondagmiddag weer thuis te zijn. Hij is niet gekomen. Zondagavond en zondagnacht heerste er een onbehaaglijk gevoel van onzekerheid.
Zou er wal met hem gebeurd zijn? Maandagmorgen, de winkelbel gaat over. Een vreemde heer treedt binnen. Hij kijkt schuw om zich heen. Vraagt dan aan de vrouw des huizen, of hij haar een ogenblik alleen kan spreken.

‘Dat is verloren’, schiet het door haar brein. ‘Het zit niet goed met mijn man.’ De vreemdeling komt haar de groeten van haar man brengen en of ze een pakje sigaretten en een pakje kleren wil meegeven.
Intuïtief voelt zij het aan: Dit is een verkeerde.’ De vreemdeling vertelt verder: ja, haar man is door de moffen gevangen genomen. Een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Het kan echter allemaal nog meevallen, als zij hem mededeelt waar de spullen verborgen liggen en met wie haar man samenwerkt. Hij is een collega van haar man, zie je. Als hij nu alles weet, kan hij zijn maatrege­len treffen. Als de moffen dan niets vinden, zal het tenslotte allemaal met haar man ook nog wel meevallen.
Maar dan moet hij, nu ten spoedigste, alle noodzakelijke inlichtingen hebben, want anders ziet het er somber uit. Vandaag nog zal de maf toeslaan, wij moeten ze voor zijn.

De vrouw doorziet de schurk. ‘Ik weet van niets,’ is haar korte antwoord. Zij houdt zich flink.
Even glijdt er een gemeen trekje over het gezicht van de vreemdeling. Snel herstelt hij zich. ‘Kom, ik snap best, dat je mij op het eerste gezicht niet direct vertrouwd hebt, maar laat nu je gedachten eens rustig werken en denk erom, dat de hele organisatie op het spel staat. Red het leven van je man!’ Een onderdeel van een seconde weifelt zij. Zou het misschien toch waar kunnen zijn? Zou deze man een vriend uit Amsterdam, Den Haag of Rotterdam kunnen zijn?
Maar neen, zijn gezicht bevalt haar niet en haar intuïtie, dat onfeilbare gevoel bij vrouwen die in nood zijn, zegt haar: ‘Hij liegt, hij is een verrader.’ ‘Ik weet van niets.’ De S.D.’er geeft de hoop niet gemakkelijk op. Telkens weer probeert hij haar ie overtuigen van de noodzakelijkheid te spreken.

Zij geeft geen krimp. De hele morgen is hij met haar bezig. De vrouw voelt zo langzamerhand de grond onder zich wegzakken: enerzijds de zekerheid, dat haar man vastzit: anderzijds deze smerige verrader, die maar niet ophoudt. Telkens weer is haar antwoord: ‘Ik weet van niets.’ Tegen de middag gebeurt er wat anders. Terwijl de vreemdeling nog binnen zit, komen er twee heren binnen, die zich bekend maken als rechercheurs.

De vreemdeling trekt een gezicht, alsof hij nu in de val gelopen is. De rechercheurs kijken hem onderzoekend aan, laten hem verder met rust. Wel vragen zij terzijde, wie die heer is en wat hij hier komt doen. Het was natuurlijk afgesproken werk.
Terwijl de beide rechercheurs het huis doorzoeken, krijgt de vreemdeling zogenaamd gelegenheid zich uit de voeten te maken. Even later treden nog twee rechercheurs binnen. Het huis wordt doorzocht, doch in de woning vinden ze niets.
Na afloop van de huiszoeking moet mevrouw Spronk mee naar Rotterdam; 20 september 1943 werd zij arrestante van de S.D. op de Heemraadsingel.

Naar de nonnetjes
Tilly vertelt: ‘Toen mijn vader en moeder al door de Duitsers opgepakt waren waren mijn zusje en ik en twee broertjes alleen in huis. Bij de overbuurman Swaters, de fotograaf, was een hulp in huis, die zolang voor de kinderen zorgde samen met een dochter van de familie Baks, de buurman.’

Ton vult aan dat later koster Lammers zich over de kinderen ontfermde. Kleermaker Heideman kwam daarna namens de R.K.-Kerk vertellen, dat de kinderen in het weeshuis bij de nonnen konden worden ondergebracht. Hier zijn ze gebleven tot moeder weer terug was.

Tilly ondervraagd
‘Vlak nadat pa en ma opgepakt waren kwamen de Duitsers terug om nog verder te zoeken en te kijken of ze nog iets uit ons konden krijgen over onze vader en moeder.
Bij een van deze gehaaide verhoren gebeurde het volgende. Een van de Duitsers dacht slim te zijn door mij een revolver voor te houden en te vragen: ‘Herken jij dit ding? Ik heb het in de speelkast gevonden.’ (De bedstede werd als speelkast gebruikt). Waarop ik antwoordde met: `Mijn vader is niet gek. Die stopt geen revolver in de speelkast!’ Hier moest de Duitser wat schampertjes om lachen. Kennelijk had hij door, dat zijn truc uit de verkeerde doos kwam.

De hulp, een zekere Annie, had thee gezet en de Duitser wilde ook wel een kopje thee, maar niet eerder dan dat ik de thee `voorgeproefd’ had. Hij vond het zeker poeplink om als eerste te drinken en was bang om vergiftigd te worden.

De brieven van de Bie gevonden
De rechercheurs, die in de woning van Spronk niets gevonden hadden, waren met dit resultaat allerminst tevreden.
Wie, weet, heeft de elektricien Spronk het een en ander verborgen in de werkplaats van zijn baas. Dus gingen de S.D.’ers naar deze werkplaats.

De chef, die op de hoogte was van het feit dat Spronk illegaal werkte, schrikt hevig, als hij hoort met S.D.’ers te doen te hebben. Dat maakt de argwaan van de S.D.’ers nog groter. Zij willen hier huiszoeking verrichten, want hier zal wel wat zitten.

‘Komen hier wel eens mensen om met Spronk te praten?’ Ja, dat komt wel voor.’ Wat wordt er dan besproken?” Dot weet ik niet’. De werkplaats wordt aan een nauwgezet onderzoek onderworpen. De rechercheurs zien aan het gezicht van de chef, dat het niet goed zit. En jawel boor, op een gegeven moment ontdekken zij het: een pistool, springstoffen, blokjes picrinezuur, de brieven die De Bie onderschept heeft en wat illegale krantjes. De sneeuwbal rolt verder. De rechterhand van Spronk, De Bie, wordt gearresteerd.

Wat de directe aanleiding tot deze arrestatie geweest is, zal wel altijd tot de verborgenheden van dit proces blijven behoren. Waren de mannen in Gorcum reeds lang geschaduwd? Is er ook in Gorcum verraad in het spel geweest? Is er tijdens het verhoor of de fouillering van Spronk iets voor de dag gekomen? Zijn misschien de gevonden brieven aanleiding geweest? Hoe dan ook, De Bie werd gearresteerd.

In de nacht van maandag op dinsdag is er door enkele leden van de groep Spronk op energieke wijze aangepakt.
Spronk had, samen met een andere medewerker een pakhuis in de Keizerstraat. In dit pakhuis was van alles opgeslagen: goederen van Joodse mensen, wapens en springstoffen. De sleutels van dit pakhuis moet Spronk in zijn zak gehad hebben, toen hij gearresteerd werd. Het lag dus voor de hand, dal de S.D.’ers naar het doel van deze sleutels zouden informeren en het gevaar was helemaal niet denkbeeldig, dat de S.D. het met een bezoek zouden vereren.

Wanneer ’s maandags het bericht van de arrestatie van Spronk als een lopend vuurtje door Gorinchem gaat, denken de medewerkers, die van het pakhuis op de hoogte zijn, direct aan ontruimen.
Overdag kan daar natuurlijk niets van komen. ’s Nachts moeten zij hun kans waarnemen, maar ’s nachts is het spertijd. Geen nood, een uit de ploeg is politieagent. Hij zal zich met de ontruimings­werkzaamheden belasten.

Geen eenvoudig karwei. De deur moet geforceerd warden. Een smid uit de buurt komt te hulp, brengt een breekijzer mee, doch de deur zit stevig dicht. Het breekijzer wordt er op verbogen. Intussen rijdt de S.D. volop door de stad. Zouden ze al naar het pakhuis op zoek zijn? Gejaagd werken de twee mannen, de geladen pistolen bij de hand. Als er een auto voor het pakhuis mocht stoppen, dan zullen ze geen enkel risico nemen, maar onmiddellijk door de voorruit schieten.

De S.D. komt gelukkig niet. De hele nacht slepen die twee. De spullen worden ergens aan de Spijkse dijk ondergebracht. Bij het transport van bun laatste vrachtje komen ze een patrouille van drie moffen tegen. De politieagent heeft 5 karabijnen en 10 revolvers bij zich. Hoe zal dat aflopen? ’t Is gelukkig flink donker, de moffen laten hen ongehinderd doorgaan. Wal een geluk! Om drie uur is het karwei volbracht. Wat per fiets vervoerbaar was is eruit gehaald. De rest moeten ze laten staan.

On half zeven is de agent weer in dienst. Jansen van de S.D. komt vloekend aan de deur: ‘Er moet hier meer gespuis in de stad zijn. Het pakhuis van Spronk is geforceerd, de wapens zijn weggehaald. Maar de daders krijgen we wel, let op!’ Vlak voor hem staat een van de daders.

Het verhaal van Henk Jagtenberg
‘Ik was op de RHBS en wilde wat doen in het verzet. Ik had op een keer een zender uit de sloot gehaald die daarin terecht was gekomen uit een ‘Flying Fortress’ (Amerikaanse bommenwerper). Ik heb daarmee in het donker lopen zeulen door het lange gras om niet op te vallen en hem naar het pakhuis in de Keizerstraat ge­bracht. Op de dag van de arrestatie van Spronk ben ik naar het pakhuis gegaan om er wat wapens en springstoffen uit te halen.

Bij het pakhuis aangekomen kon ik er niet in, dus ging ik naar smid De Boom. Hier aangekomen kreeg ik de sleutels niet. Kennelijk wist De Boom niet wie ik was en vertrouwde het niet. Dan maar naar een andere smid gegaan en wel smid Verbeek. Deze ging met mij mee en via agent De Heus, ging het gewapend met een breekijzer naar het pakhuis. Daar aangekomen werd de zaak geforceerd en kon ik met nog een paar anderen met het ‘spul’ aan de haal. Mogelijk is het toen in het Kanaal van Steenenhoek tussen de Langebrug en het station gegooid. Ik was die avond erg moe en werd wakker in een oude schuur.

Ik heb ook nog in een kano op de Linge gezworven en ben toen al gauw ondergedoken. Ik heb jou (Kees) toen nog in Babyloniënbroek gezien. Lang ben ik daar niet geweest, ik vond het te link en er waren te veel onderduikers. Ik heb ook nog een staking op school op touw gezet en ben daarvoor met nog twee vrienden van school, Peter en Ad, in Rotterdam verhoord. Toen wij vrij kwamen, waren we alle drie kaal.’

De Bie viel door een ongelukkige samenloop van omstandigheden in handen van Hoffmann en consorten. Vanzelfsprekend dook hij onder toen het bericht van Spronks arrestatie hem bereikte. Hij vond bij zijn schoonzoon onderdak.

Toen de S.D. dan ook aan de woning van De Bie verscheen, was de vogel gevlogen. De S.D.’ers zetten mevrouw de Bie onder druk en als ze niets wil vertellen moet ze mee. Ze zegt tegen de kinderen: ‘dan moeten jullie dan zolang maar naar oom Piet en tante Wil (van Engeldorp-Gastelaars)’. Er zou, menselijkerwijs gesproken geen vuiltje aan de lucht geweest zijn. Nu informeren de S.D.’ers wie die persoon is en waar hij woont. Met de brutaliteit, S.D.’ers eigen, wagen ze daar nog een kansje.

Ze bellen aan, zeggen ervan op de hoogte te zijn, dat De Bie zich hier verborgen houdt en stappen meteen naar binnen. De bewoners ontkennen dit ten stelligste, maar er volt niet veel te ontkennen, de S.D.’ers stommelen at door het huis, een schuilplaats is er niet. De Bie valt in de handen van de beulen.

De allereerste vraag, die ze stellen luidt: ‘Waar is het geweer?’ Alweer de bekende overbluffingstactiek.
De Bie moet uiteraard wat van zijn stuk zijn gebracht, hoe hebben die kerels hem hier gevonden? Dit gevoegd bij het zenuwslopende gevoel in handen van de vijand te zijn en de hoogst onaangename ontdekking, dal ze blijkbaar met het voorhanden hebben van een geweer op de hoogte zijn, is voor de S.D. het juiste moment om de duimschroeven wat aan te draaien.
‘Waar is het geweer?’ De Bie geeft geen kamp: ‘Ik weet niets af van een geweer’.

De S.D.’ers lachen eens gemeen. ‘Wacht maar mannetje, ontkennen zal je opbreken.’ De Bie wordt alleen in een kamertje gebracht, de S.D.’ers gaan mee, verder mag niemand erin.
Het vreselijkste moment voor iedere arrestant is gekomen…

Het bleef niet bij de arrestatie van De Bie. Tot en met de tweeëntwintigste oktober werden er nog 19 personen gearresteerd volgens de opsomming van Schakel.

Tenslotte krijgen op 5 oktober vier Gorcumse agenten opdracht om 5 personen naar Rotterdam te brengen.
Op de Heemraadsingel aangekomen speelt de S.D.’er Jansen voor chef de reception. Jansen kijkt een van de agenten strak in de ogen, stelt dan de vraag: ‘U bent toch De Heus?’ Op het bevestigende antwoord schopt Jansen hem naast de meegebrachte gevangenen. De Heus moet zijn politiepapieren tonen.

Spronk had 13 kopieën van die papieren laten maken. De Sicherheitsdienst wist, dat De Heus nog al eens bij Spronk kwam en concludeerde daaruit, dat hij voor de originele papieren gezorgd had. Met Max was afgesproken, dat deze verklaren zou, dat de papieren van een Amsterdams politieman afkomstig waren…
De verhoren konden nu eerst recht beginnen. De S.D. kon nu de ongelukkigen tegen elkaar uitspelen en: wat de een niet weet, weet de ander.

Korte samenvatting van de verhoren van Marinus Spronk (uit het Duits, naar gegevens uit het archief van het RIOD)
Het RIOD is het Rijksinstituut voor oorlogsdocumenta­tie.

‘Spronk trof `Marietje’ op het station Haarlem. Door ‘Marietje’ werd een meisje ‘Truus’ met een slanke grote jongeman voorgesteld aan Spronk.
Deze jongeman zat in een organisatie die 70 a 80 personen omvatte en wapens en munitie leverde.
Er werd besloten eerst navragingen te doen. Afgesproken werd om op zondag 19 september 1943 in Den Haag aanwezig te zijn met `Truus’.
Met deze mensen uit Haarlem is Spronk niet meer bijeen geweest omdat hij (slanke man) gepakt werd voor het treffen met `Truus’.

Na vijftien uur verhoor werd het voorlopig afgebroken omdat Spronk niet meer in staat was het te volgen.
Er werden bij hem twee pistolen (automatic en Danton) gevonden. Volgens deze lezing ook nog 120 staven springstoffen, 75 scherpe patronen, 1 deel van vijandige luchtmacht-radiozendapparatuur (Engels of Amerikaans). 1 vals persoonsbewijs, 1 vals politiebeambte Ausweis, 1 vals persoonsbewijs De Vries (een Joodse) en verscheidene `blaadjes’.

Vingerafdrukken werden in Rotterdam genomen op 27 september 1943 door S.S. Hauptscharführer (Kohlen). De kinderen waren tussen de vijf en veertien jaar. Zelf een jaar voor drukker geleerd, daarna elektromonteur. Stemde KVP en was van september 1939 tot april 1940 bij de Luchtmacht (grondpersoneel), werd daarna ontslagen wegens ziekte.

In de zomer 1941 voor het eerst in contact met ‘Koos’ en zo iedere maand verder. Het ging om het blaadje `Slaet op den Trommele’.
Spronk ontmoette ‘M’ (Marietje) in Utrecht door bemiddeling van ‘Koos’. ‘Marietje’ kwam ook bij hem thuis. Hier ging het om ‘Het Parool` en `Vrij Nederland’. Later ontmoette Spronk haar in Den Haag en Amsterdam.

‘Marietje’ noemde hem geen namen en plaatsen van organisaties, die heeft ze hem nooit verteld. Hij kreeg van `Marietje’ twee pistolen 6.35 met negen patronen. Later ook nog springstoffen en chemicaliën, nog een persoonsbewijs en twee blanco politie-Ausweisen van de Nederlandse politie om het Spergebied te betreden. Hij ontmoette een klant in de winkel, die fortwachter bleek te zijn in een fort in de omgeving aan de weg naar Breda. (Spronk noemt hier geen namen, noch van enig fort, noch van de desbetreffende fortwachter).

Dan volgt weer een opsomming van een aantal geweer­patronen, sloffen trotyl en dozen met Bohrpatronen. De fortwachter heeft munitie en springstoffen bij Spronk gebracht. Later is Spronk naar hem toe geweest en heeft nog iets gehaald.
Fortwachtersvrouw vertelde hem dat haar man in Kriegsgefangenschaft moest. Enige dagen later kreeg hij via haar de groeten van haar man. (Dit nu is volgens mij een staaltje van slimheid van Spronk om de S.S. om de tuin te leiden, zodat hij geen verblijfplaats van de desbetreffende fortwachter hoeft te noemen). Samen met ‘X’ (Gorcumer, NB: dit moet H.P. de Bie zijn geweest) is hij in het desbetreffende fort geweest. Spronk kreeg toen een volle doos met springstoffen.
Dit was het laatste wat hij, de fortwachter, bezat. De fortwachter vertelde Spronk wel dat alle forten gesloten zouden worden en dat hij weg moest.

‘Marietje’ was zeer gesloten en vertelde Spronk niets over het doel en werk van deze afzonderlijke organisatie. Spronk had nog andere contacten in Breda, Dordrecht, Den Bosch en Rotterdam. Hij kreeg springstof van `Marietje’ in de vorm van gele staven in een bundel van ongeveer vijftig stuks, afmeting ongeveer twaalf bij twee bij twee centimeter.
Zij, ‘Marietje’, kreeg deze staven van iemand, die bij de Duitse Wehrmacht in de buurt van Nunspeet kanonnen inschoot (Geschutzeinschiesser). Van de aard van toepassing is hem niets bekend. Zwavelzuur ontving hij gelijktijdig met witte poeder. Kruit moest gemengd worden met suiker. Hij kreeg suikerbonnen van haar om dit te kopen.
Bij vermenging van deze drie stoffen ontstaat brand. Tot nu toe heeft hij een kilo suiker gekocht. Spronk gaf zich ook uit als rechercheur op een vals persoonsbewijs. Van de dertig stuks valse Ausweisen heeft hij nog niets gebruikt behalve een voor zichzelf. Ausweisen voor Arbeitseinsatz zeven tot acht stuks ontvangen. Hiervoor heeft hij nog geen bestemming tot nog toe.

Twee stempels uit presse-papier gemaakt van overheid uit Amersfoort, maar omdat de letters op de stempels niet te lezen waren, kon hij ze niet gebruiken.

Ongeveer drie weken geleden heeft Spronk door bemiddeling van ‘Marietje’ een student (MTS) in Amsterdam ontmoet voor de dierentuin, maar naam heeft hij niet gekregen. Samen zijn ze naar Zaandam gegaan naar een zekere Van Putten, adres is mij niet meer bekend. 1k zou daar met Van Putten over zijn organisatie spreken en proberen van hen materiaal los te krijgen. Die organisatie was reeds opgelost en het materiaal was overgedragen aan andere organisaties. Niets verder met Van Putten afgesproken.
Enige tijd later heeft Spronk een andere afspraak met een zekere ‘Truus’. Zij was in gezelschap van een lange, slanke, blonde man. (Dit moet Lou Boissevain geweest zijn, doch een naam heeft Spronk niet genoemd).

Spronk vertelde hem over zijn grote organisatie en loog hem voor, omdat deze in werkelijkheid niet bestond. Hij wilde alleen maar vertrouwen van hem (slanke man) winnen. Wapens en springstoffen kon hij hem voorhands niet leveren, omdat hij Spronk nog niet kende. Hij kon Spronk over zijn organisatie niets vertellen, maar vroeg Spronk wel of hij kleine ‘Doppelwinkelhaken’ kon maken om op straat te gooien, die autobanden konden stuk maken. Spronk ontving een nauwkeurige beschrijving van deze ‘spijkers’ maar kon de opdracht nog niet uitvoeren vanwege gebrek aan materiaal.
Spronk sprak met deze man af voor volgende zondag waarbij hij gepakt werd op station Hollands Spoor in Den Haag. Spronk zou met hem bijzonderheden doornemen over de opdracht.

Spronk gaf spullen bij ‘X’ in bewaring, omdat hij bang was, dat hij gepakt zou warden. Patronen aan ‘X’ verstrekt, die hij van `Marietje’ ontvangen had. Later een aantal patronen teruggevraagd voor zijn eigen karabijn.
‘X’ wilde van een openbaar gebouw een inlichtingencentrale maken, doch ‘X’ vertrouwde het meisje, dat daar werkte, niet. ‘X’ drong aan om meer wapens, springstoffen en werktuigen van hem te krijgen.
Speciale sleutel moest vervaardigd worden om biels los te draaien van twee spoorbruggen (Baanhoek en Arkel?). Spronk heeft hem dit weliswaar toegezegd, maar Spronk heeft zich nooit de moeite getroost dit te doen en heeft niet over namen van N.S.B.’ers met ‘X’ gesproken. Enkele Nederlandse politieagenten moesten vermoord worden. Dit heeft hij van klanten in de winkel gehoord en uit de krant.

Spronk heeft niets uitstaande met thans gepleegde moorden of vroegere moorden. Brieven aan de Ortskommandant werden onderschept en niet afgeleverd bij hem. Vernoemde onderduikers werden door ons gewaarschuwd.
Bij een boer levensmiddelen (boter) gekocht tegen sigaren uit de winkel. Geld gekregen voor ‘Trouw’ en dit verantwoord met ‘X’ en ‘Z’. Dit geld gegeven aan ‘Marietje’, die het verder doorgaf.
Karabijn opgebaggerd door ‘Bos’ en meegegeven aan mij en patronen teruggevraagd. Bonnen gekregen van ambtenaar voor onderduikers, wie deze waren is hem net bekend. ‘Marietje’ en ambtenaar hebben elkaar wel gezien, doch daar was Spronk niet bij.

Een scholier wilde ook lid worden van zijn op te richten organisatie. Spronk stelde dit bewust uit en zo kreeg de scholier wantrouwen tegen hem. Toen liet hij hem zijn pistool en karabijn zien en kreeg de scholier weer vertrouwen in Spronk, wat later wegebde, omdat hij geen opdrachten kreeg. De scholier vroeg hem of de mogelijkheid om naar Engeland te komen bestond, Spronk beaamde dit en zei, dat hij hiervoor zorgen kon. Actief is de scholier niet bezig geweest.

Een Joods echtpaar is in pakhuis gedurende veertien dagen ondergedoken geweest. Ze zijn later in Amsterdam gepakt. Familie Kolonia uit Amsterdam stuurde regelmatig ‘Oranje Krant’ over de post via ‘X’. (Geen derden bij betrokken). Eigendommen van ondergedoken Joodse mensen waren in pakhuis ondergebracht.
Onderdelen uit Engels vliegtuig door scholier gebracht, waren onbruikbaar. Het waren onderdelen van zender en zes tot zeven boordkanonpatronen.

Alleen gesproken met ‘Marietje’ over herkenningsteken van organisatie maar niet over activiteiten. ‘G 13’ alleen gedaan om gewichtigdoenerij, en zelf ondertekend. Opnieuw verhoord op 1 oktober 1943.

Spronk stopte zelf krantjes in de bus. Mensen wisten niet, dat hij dat deed.
Van Wagensveld was een straf roker en dat was de reden, dat hij zo dikwijls bij Spronk in de winkel kwam. Van Wagensveld was niet in voor politieke zaken. Met Hage had hij alleen contact als buurman. Spronk wist, dat hij niet kon zwijgen en dus vertelde hij hem niets. Met Van der Laan is Spronk al snel opgehouden vlugschriften in de bus te stoppen, omdat hij geen interesse toonde. Brieven naar Engeland als tussenpersoon, was alleen grootsprekerij en opscheppen.
Alles werd hem in het Nederlands voorgelezen.
Weer ondertekend door Marinus Spronk.’
(Einde van dit geschrift.)

Zoals zelfs al uit deze summiere samenvatting blijkt, heeft Spronk zich met alle in hem nog aanwezige kracht verzet tegen het geven van precieze informatie aan de S.S. Soms weidt hij enorm uit over een zaak zonder dat hij de zaak verraadt.

Hieruit blijkt eens te meer, wat voor uitzonderlijk sterke geest hij gehad moet hebben. Als het even kan trekt hij alle schuld’ naar zich toe. Laten we daarbij niet vergeten, dat hij bij het eerste verhoor vreselijk gemarteld is en, omdat hij niet is doorgeslagen, dat er nog diverse mensen en spullen gered zijn. Degenen die wel doorsloegen, kun je niets verwijten, gezien de onmenselijke behandelingen die zij moesten ondergaan.

Confrontatie met voltallig politiepersoneel
De dag dat Spronk naar Gorcum werd vervoerd (begin oktober 1943) na herhaalde malen op beestachtige wijze te zijn gemarteld in de Euterpestraat in Amsterdam, werd hij in deze erbarmelijke toestand voor het voltallig Gorcumse politiepersoneel voorgeleid om een man aan te wijzen, die hem aan een politieuniform had geholpen am er verzetsdaden mee te bedrijven. Deze agent was de Gorcumer De Heus. Althans dat concludeer ik uit het `Kort relaas’ van Schakel. Deze laat een gearresteerde aan het woord die zijn ervaringen vertelde.

‘In de vijfde nacht werd ik voor het eerst met Spronk geconfronteerd. Spronk zag eruit als een geraamte. Spronk vertelde het verhaal precies als ik. We hielden beiden vol. Ik ben er Spronk nog dankbaar voor, mijnheer. Het had zijn zaak niet verzwaard, wanneer hij de ware toedracht verhaald had; het had hem echter wel een zwaar verhoor bespaard. Maar hij redde me: hij ontkende ooit met me van doen gehad te hebben. Een edel mens, die Max’.
Aan dit relaas behoeven wij geen woord nader toe te voegen.

Voor agent De Heus moet dit het spannendste ogenblik van zijn leven geweest zijn, zijn leven hing toen aan een zijden draad. Als hij en Spronk al oogcontact met elkaar gehad hebben, wat niet vanzelfsprekend is, dan zal dat boekdelen hebben gesproken vanwege dit onmenselijke moment.

Ook Tilly zwijgt
Op diezelfde dag werd dochter Tilly opgebracht naar het politiebureau. Ze had toen de leeftijd van ongeveer dertien jaar. Tilly werd verteld dat haar vader in Gorcum was en als ze vertelde wat zij wist over de activiteiten van haar vader, mocht ze hem zien. Maar omdat ze het niet geloofde, maakte dat het gemakkelijk voor haar om niets te zeggen tijdens het verhoor.
Achteraf maar gelukkig voor haar, want haar vader moet op dat moment niet om aan te zien zijn geweest, zeker niet voor een kind op die leeftijd.
Tilly heeft nog geprobeerd weg te lopen uit het politiebureau. Ze zag toen wel agenten, die met lijkbleke gezichten van angst rondliepen.

Zoals gezegd waren de kinderen destijds in het Rooms-Katholieke weeshuis in de Molenstraat ondergebracht. Ook daar werden de slaapkamers, alleen van de kinderen, door de moffen doorzocht.
De nonnen hebben toen de kleren van Spronk, die onder het bloed en de etter zaten, gewassen.

Wat moet het een opluchting voor het politiekorps geweest zijn, toen Spronk weer werd weggeleid en hij niemand ‘verraden’ had. Wie zou het hem kwalijk heb­ben kunnen nemen als hij wel de bewuste agent had aangewezen? Wie denkt dat hij of zij het wel gekund had, mag de vinger opsteken.

‘Moeke’ ontmoet in het geheim haar man
Intussen was ‘Moeke’ Spronk van allerlei dingen beschuldigd die ze niet gedaan had. Maar vooral door haar houding tegenover de moffen, vertelde Tilly, heeft ze een heleboel informatie weten achter te houden, die de moffen o zo graag uit haar hadden willen krijgen.

De manier hoe moeder haar ondervragers benaderde was er een van grote onnozelheid, zodat de S.D. niet meer wist wat ze eigenlijk met haar aan moesten.
Zijzelf vertelde daarover, een week voor zij overleed op 2 april 1990, ‘Bij een van de verhoren door de twee S.D.’ers zei een van hen: `Arme, onnozele ziel die je bent.’ Hierop antwoordde ik: Dat zei mijn man ook altijd.’ Na haar ondervraging, werd haar het volgende ten laste gelegd (dagvaarding d.d. 5 mei 1944, uit het Duits):

De beklaagde Spronk heeft in Gorinchem in het jaar 1943 een persoon der politie niet aangebracht, niettegenstaande ze wist of naar omstandigheden kon aannemen, dat deze verzet tegen de bezettende macht wilde plegen.
Strafbaar volgens Ordnungsschutz-VO 1943.
Bewijsmateriaal: Verklaringen van de beklaagden.

Aft 31: Boom geplant in Israël. (Yad Veshem)

Na het proces werd zij in kamp Vught opgesloten. Zij vertelde daarover het volgende.
Het was geen lolletje om in Vught te zitten. Als je naar het ’toilet’ moest, zat je daar, afgezien van de vieze troep, in het front van een bewaker met de ‘deur’ open. Op zichzelf al vernederend voor een vrouw.

Ik heb mijn man op een gegeven ogenblik zelfs nog gesproken in het kamp Vught. Ondanks dat het een vrouwenkamp was, wist hij toch bij mij op de afdeling, waar een elektrische naaimachine stond, door te dringen omdat hij (geholpen door andere kampbewoners) klusjes opknapte als elektricien. Er werd dan bewust iets onklaar gemaakt zoals een strijkijzer, naaimachine of het elektrisch licht.
Dit ging natuurlijk heel omzichtig en je kon hooguit een enkel woordje fluisterend kwijt. Zo kwamen we van elkaar te weten dat we ons van de domme hadden gehouden en dat ik van niets wist en vol moest blijven houden.

De dag voor de voltrekking van het doodvonnis van mijn man kwam de dokter van het kamp me in het geheim vertellen dat hij de volgende dag geëxecuteerd zou worden. Toch hebben wij elkaar nog wat moed in kunnen spreken, als je al van moed kunt spreken.’

Het ergste wat de jongste zoon Jan zich herinnert, was dat hij twee jaar na de oorlog met andere kinderen op vakantie mocht naar ‘Het Kamp Vught’. Dit heeft hij als zeer aangrijpend beleefd.

Het relaas van oud-ambtenaar C. van de Water
Van de Water is een van de arrestanten, genoemd in het verhaal van Schakel.
Hij zat in dezelfde periode gevangen als `Moeke’ Spronk en was ingedeeld bij het zogenaamde Philips Commando’ in het kamp Vught.

‘Ik kwam vaak bij Spronk in de sigarenwinkel in de Haarstraat. Spronk heeft bij mij nog clandestien een gasleiding aangelegd in het plafond, dat diende voor verwarming van een oventje.
Spronk hielp ook Joden aan adressen en heeft bij mij thuis nog een Joodse vrouw gebracht. Ze is er levend afgekomen. Ze was een Amsterdamse en kwam als kinderjuffrouw’ bij mij thuis. Wegens een huiszoeking is ze weer naar Spronk teruggegaan.
Het kamp Vught was gescheiden in twee kampen. Een voor de vrouwen en een voor de mannen. Ik weet me nog van het kamp te herinneren dat de ter dood veroor­deelden met een rond gat in hun hemd liepen, waar overheen weer een stuk goed was genaaid en zo op een bal leek. Ook Spronk heeft hier in het kamp Vught gezeten na Amsterdam en Rotterdam, waar hij door de S.D. ‘verhoord’ is.

Met ketting aan stortbak van toilet
Ik weet dat boer Bos uit Ottoland een Nederlands militair geweer uit de modder gehaald had en dat ter beschikking stelde aan Spronk, die het weer heeft door­gegeven aan De Bie, de postbode, die het verstopte in het nu verdwenen postkantoor aan de Groenmarkt in Gorcum.

Bos is met zijn handen op zijn rug door middel van een ketting vastgebonden aan de stortbak van het toilet. Dit duurde zolang dat zijn hand bijna geamputeerd moest worden.
Op het Obergericht word aan Bos gevraagd: ‘Waarom bent u hier?’ ‘Dat weet u beter dan ik,’ antwoordde Bos. Waarop gelach.
Voordat het verhoor van Bos begon, werd van te voren in het geheim vergaderd wat men ging antwoorden op bepaalde vragen.

Deze antwoorden van de gevangenen werden in ‘elektrolyten’ verborgen (aluminium busjes van ongeveer 10 x 5 x 6 cm en dichtgelakt met zwarte lak, gevuld met elektrische bestanddelen en aan de buitenkant een aansluiting voor elektriciteit).
Deze voorwerpen gingen naar Eindhoven en daar werden de gemerkte’ opengemaakt om de speciale briefjes er weer uit te halen en de naar buiten `gesmokkelde’ waar bij onze advocaten te brengen.

Bunkerdrama in kamp Vught.
Op een dag zijn door de moffen zevenentachtig vrouwen in een te kleine bunker getrapt. Tien vrouwen zijn toen overleden. (‘Moeke’ is de dans ontsprongen, omdat ze ziek op bed lag in het ziekenkamertje.)
Uiteindelijk ben ik en vele anderen in Duitsland bevrijd door de Amerikanen. Ik tag met nog twaalf Tsjecho-Slovaken ziek. Zo zijn wij dus aangetroffen door de Amerikanen.’

Gefusilleerd
Het einde naar het ‘Kort relaas’ van Schakel.

Spronk werd ter dood veroordeeld: 12 januari 1944 viel hij met een aantal leiders van het verzet voor het vuurpeloton, in de duinen van Bloemendaal;
De Bie werd ter dood veroordeeld; op het fort De Bildt (NB Fort Rhijnauwen) werd hij gefusilleerd op 25 aug. 1944, thans rust hij op de Erebegraafplaats Rusthof te Amersfoort.
Leenheer stierf in de gevangenis te Kassel;
mevrouw Buiteman kwam om in de bunker van Vught, waarin ze met 86 anderen gestopt wend; Na ongeveer een week werd een zestal gevangenen in vrijheid gesteld.

De anderen zaten tot 29 oktober op het Haagse Veer en bij. de Rivierpolitie te Rotterdam. Vandaar werden zij alien overgebracht naar Vught. op 13 juli werden 8 personen en een week later 1 persoon in vrijheid gesteld. Alle anderen zijn voor kortere of langere tijd naar Duitsland vervoerd.

‘Moeke’ werd op 13 juli 1944 vrijgelaten, gelijktijdig met nog andere Gorcumers. De kinderen kwamen toen ook weer thuis.
Zij hebben voor moeder veel bewondering hoe ze onder moeilijke omstandigheden alleen voor de opvoeding van haar kinderen stand en ondanks veel verdriet alles draai­ende wist te houden.

12. Marinus Spronk (Nabeschouwing)

Bidprentje
Voor mij ligt het bidprentje van oom Rien (Spronk). Behalve zijn foto staat er de volgende tekst op.

De vrede vroeg mijn leven…
Ter vrome gedachtenis aan MARINUS SPRONK echtgenoot van JOHANNA van ANGEREN geboren te Utrecht 5 nov. 1900, offerde zijn Leven voor God en Vaderland op 12 januari 1944. God, die eeuwige Vrede zijt, Neem mij op in Uwe zaligheid.

Door schennende handen van zijn vrijheid beroofd, heeft hij staande voor het vuurpeloton van den vijand zijn leven geofferd in en met Christus voor ons vaderland. God was het, die hem beproefde als goud in den smeltoven en hem zijner waardig bevond.
Ik weet wie ik heb uitverkoren, zegt Christus, houdt hen niet terug, want dezulken behoort het rijk Gods. Lieve vrouw, weet ge, dat ik God weer sterk maakte in mijn leven. Ik heb gebeden en geleden, opdat gij uw gevangenschap zoudt dragen voor de goede zaak. Ik trachtte een voorbeeld te zijn voor min medegevangenen.
Blijf  zooals gij altijd waart, een goede moeder voor mijn kinderen, en dan zullen zij, zich mij herinnerend, uw goede kinderen zijn. Vanuit den hemel, waar ik me mocht voegen bij den groote stoet van heilige Belijders en Martelaren, wacht ik u en hen. Tot dan! Jezus, Maria en jozef, ik geef U mijn hart, mijn geest en mijn Leven.

Glimlach van ‘Mona Lisa’
Nu ik zo een poosje zit te staren naar dat plaatje, komt er een ander gezicht bij me in beeld, namelijk dat van de ‘Mona Lisa’ van Leonardo da Vinci.

Afb. 32: Mona Lisa

Voor mij zijn beide gelaatsuitdrukkingen identiek. Het is niet alleen een droefgeestige blik die hij uitstraalt, maar evenzeer een mystieke.

Hypnose in het spel?
Dit mystieke sluit misschien aan op de uitspraak van Mechteld van Hardenbroek (destijds in het verzet bekend onder de naam ‘Marietje’ en thans wonende in Amerika). Zij schreef mij dat Spronk paranormaal be­gaafd geweest moet zijn, vanwege zijn uitlatingen tegen­over haar, dat hij soms aan munitie en wapens was gekomen door Duitse wachten te hypnotiseren.
Dat hij kon hypnotiseren, werd bevestigd door zijn vrouw. Zij vertelde mij, dat hij in zijn jeugd dat vaker gedaan zou hebben. Zij was er niet weg van en vond het zelfs een beetje griezelig.
Zelf heb ik er moeite mee dit te geloven.

Mechteld van Hardenbroek was in de oorlogsperiode studente en studeerde na de oorlog of als arts. Zij schreef een brief d.d. 12 augustus 1984 aan Koos Stempels, die haar een artikel uit Vrij Nederland over Gerrit van der Veen c.s. gezonden had, met de volgende reactie: Citaat uit daze brief.

‘De schrijfsters hebben zich veel moeite gegeven om alles uit te zoeken, een reuzenwerk, omdat zovelen dood zijn en omdat de betere illegale werkers niet praatten en geen onnodige contacten hadden. Het artikel doet uit de doeken welke fouten er gemaakt werden.
Als ik deze mensen vergelijk met Marinus Spronk dan wint Marinus. Hij werkte veel slimmer — en veel voorzichtiger — en deed ongelooflijke dingen op zijn eentje en het is zeker nodig om zijn werk te publiceren.’…

‘Moeke’ vertelde ook, dat hij in Utrecht eigenhandig een aantal Joodse kinderen uit een gebouw liet ontsnappen, terwijl hij de bewaker in slaap hield (met slaapmiddelen?).
Waarschijnlijk ook met hypnose. `Moeke’ bevestigde dat hij deze kunst meester was.
Marinus schepte nooit op en ik weet weinig over hem; wat jij (Koos) meer weet, zou gepubliceerd moeten worden.’ Einde citaat.

Brief van ‘Marietje’ aan Tilly en Kees
Hier volgt een gedeelte uit de brief d.d. 25 juli 1989 van `Marietje aan Tilly Spronk en Kees de Lang.
Natuurlijk wil ik graag helpen met het boek, dat Kees over je vader gaat schrijven, vooral daar hij een vriend van de familie was. De moeilijkheid is niet de emoties bij het herinneren, maar het feit, dat je vader zo’n voortref­felijke ondergrondse werker was en dat hij nooit iets ver­telde aan oren, die het niet hoefden te horen.

Ik weet, dat hij één was van een paar `Maxen’, met een nummer voor elke Max! Dit was zeker verwarrend voor de vijand.
Met deze groep deed hij sabotagewerk, denk ik; maar ik geloof toch ook, dat hij veel op z’n eentje deed; hij vertelde mij dat de trotyl, waarvan ik een paar blokken vervoerde naar A’dam voor het opblazen van het Bevolkingsregister, door hem verschaft werd op de volgende manier: hij had allang voor de oorlog geleerd om mensen te hypnotiseren. Hij moet daarvoor wel meer begaafd zijn geweest dan de meeste andere mensen, hoewel iedereen het kan leren om zichzelf en anderen te hypnotiseren.

Je vader reed dus gewoontjes op zijn fiets langs de oude forten, die de Duitse Wehrmacht bewaakte en gebruikte voor opslagplaatsen van wapens en ammunitie. Je vader ging dan eens een praatje maken met de soldaat op wacht, die natuurlijk minder wantrouwend was dan de S.S. Je vader had ook sigaretten en zoals hij mij vertelde, dat als hij dan al babbelend een oogcontact kon krijgen met de niets vermoedende wacht, dan kon hij hem zodanig beïnvloeden door hypnose, dat de wacht er zich niet bewust van was, dat je vader langs hem heen het fort in ging en later terugkeerde met buit voor het ondergrondse werk.

Dit klinkt misschien onzinnig en er zullen zeker mensen zijn, die dit niet geloven. Ook is het wellicht niet aanvaardbaar in de kerk. In de tijd van je vader was hypnose een zeer ongewenst begrip. Je vader werkte samen met ‘communisten’ en blijkbaar werd dat niet goedgekeurd door zijn pastoor. Ik vermoed, dat ik een van de weinigen was waarmee hij over hypnose kon praten. Ikzelf heb deze techniek in mijn werk leren gebruiken, soms met succes, maar ik ben op zijn hoogst een beginneling. Wat ze ons in elke cursus leerden was, dat je niemand tegen zijn wil kon hypnotiseren en dat je niemand kon laten zeggen of doen wat ze echt niet wilden zeggen of doen. Dit is een geruststelling voor patiënten, maar het is niet helemaal zo!

De Amerikaanse psychiater, Milton Erickson, heeft vele malen gedemonstreerd dat hij mensen kon hypnotiseren voor ze er erg in hadden, ook al beweerden zij dat het nog nooit aan iemand was gelukt. Ook in Rusland is bekend dat het mogelijk is mensen te hypnotiseren zonder hun toestemming of bewuste medewerking.
Ik geloof dat de ‘catch’ (kneep) is, dat je iemand wel kunt hypnotiseren, maar dat ze ook dan niet zullen doen of zeggen, wat ze echt, ook onderbewust, niet willen doen of zeggen.

De soldaat op wacht had weinig belang bij zijn taak. Hij was opgeroepen in dienst en zou zeker liever thuis zijn. Ook bood hij geen weerstand tegen hypnose, omdat hij er zich helemaal niet van bewust was, dat zoiets met hem gedaan werd.

Hier in de U.S.A. hebben we grote bewondering voor het werk van Erickson, maar hij werkte in een meestal veilige omgeving. Jouw vader had echter genoeg moed en zelfvertrouwen in zijn beheersing van deze techniek om die toe te passen onder levensgevaarlijke omstandigheden. Ook toen hij die Joodse kinderen in Utrecht uit een school liet ontsnappen, moet hij diezelfde hypnose hebben gebruikt bij de politieagent op wacht om hem ‘in slaap’ te laten vallen. (Dus geen injecties).

Je vader heeft mij ook verteld dat hij op de brug of bruggen over de rivier klauterde om de springstofladingen niet alleen onklaar te maken, maar ook deze mee naar huis te nemen voor betere doelen.’ (Naar de mening van de auteur zullen waarschijnlijk met de bruggen over de grote rivieren de beide bruggen bij Zaltbommel en de spoorbrug bij Baanhoek bedoeld worden, maar zeker is dat niet. Dat hij dit aandurfde, neem ik aan, houdt verband met zijn hobby om van de Lingebrug te duiken en geen hoogtevrees gehad zal hebben. Vervolg brief:)

‘Kort voordat hijzelf gepakt werd, waren verscheidene leden van zijn groep (C.S. 6 uit Amsterdam) gearresteerd en hij was zijn radiocontact met Engeland kwijtgeraakt. Ik weet niet goed hoe dat in elkaar zat, maar ik vermoed dat dit radiocontact de verrader was, die ook aan de groep waartoe Truus van Lier behoorde, toen al klappen had uitgedeeld. Dit moet echter later zijn uitgezocht en ergens beter gedocumenteerd zijn.

Ongelukkigerwijze kwam ik met Truus in contact, hoewel ik niet met haar samenwerkte, kende ik haar uit het Utrechtse studentenleven. zij zou voor de noodlottige ontmoeting van jouw vader met de radioman in Den Haag zorgen. Ikzelf maakte nog een andere afspraak met Truus, waar zij niet kwam opdagen, omdat, zoals later bleek, zij inmiddels was gearresteerd. Ik heb je vader voor het laatst ontmoet in Amsterdam, de middag voordat hij Truus en de radioman zou ontmoeten in Den Haag. Ik vroeg of ik mee mocht komen om Truus te ontmoeten, die ik gemist had. Terwijl wij koffie dronken in een klein cafeetje dichtbij het station, maakte je vader de opmerking: ‘Waarom ben je zo zenuwachtig?’ Ik had daarop geen antwoord, maar ik denk dat ik een voorgevoel van onheil had. In elk geval kreeg ik nog in dat cafeetje een verschrikkelijke aanval van astma, zodat ik nauwelijks thuis kon komen en ook de volgende dag niet in staat was om uit bed te komen. Ik was toen in het huis van Dr. Ruubsaam. Dit is geloof ik alles wat ik weet.

Ik heb de arrestatie van je vader heel erg zwaar genomen en vond het verschrikkelijk dat ook je moeder erin betrokken werd en dat jullie, nog zo jonge kinderen, in het weeshuis moesten worden ondergebracht. Wat een verantwoordelijkheid voor jou!.

Afb. 34. Herbegrqfenis Spronk.

Jullie hadden zo’n mooi familieleven en ik kwam daarom zo graag ‘op bezoek’. En ook gedurende de oorlog realiseerde ik me, dat je vader de beste illegale werker was, die ik ooit ontmoet heb! Hij was een heel bijzonder mens.

Ik wil dat hier proberen uit te leggen. Het is niet waar, dat mensen illegaal werk deden voor ‘God, Koningin, en Vaderland’. Het was nodig om geestelijk vrij te zijn! Je weigert, zo niet openlijk, om mee te spelen met de Nazi’s en je doet gewoon wat je eigen geweten je vertelt dat gedaan moet worden. De taak staat voor je en dan aanvaard je die, als je er de moed voor hebt. Het is allemaal heel eenvoudig, als iets gedaan moet worden, dan doe je het. Je vader deed zijn ondergrondse werk heel rustig en met grote moed! Hij stond er zo ver boven, dat hij niet de bewondering van anderen nodig had, of hun steun in moeilijkheden. Hij kon dus in zijn eentje werken en onopvallend blijven. Ik hoop dat Kees de Lang dit zal begrijpen.’ Einde citaat brief.

Voor het grootste deel kan ik meegaan met dit betoog; toch een kleine kanttekening. Het is niet altijd helemaal zo, als `Marietje’ het omschrijft. Bij velen kwam ook een flinke portie avontuur om de hoek kijken. En voor velen gold wel de stelregel dat zij het uit overtuiging krachtens hun geloof en uit liefde voor het vorstenhuis deden. Maar ik geef toe, dat als je geest niet die drang had om zo te handelen, je het niet deed, anders hadden alle christenen, socialisten, liberalen en communisten het wel gedaan. Dit is geen verwijt aan al diegenen die niet in het verzet hebben gezeten, maar dat is ook niet de intentie van Mechteld van Hardenbroek.

Een ding is zeker, zij die vielen voor het Vaderland zijn in geen geval de slechtsten geweest, maar de zeer sterken van geest en van onbeschrijflijke moed. Dit wordt niet gezegd om aan persoonsverheerlijking te doen, maar het niet vermelden, zou een historische fout zijn.

En wat Koos schreef
Koos Stempels zei mij nog, dat hij nooit iets van de hypnotische gaven van Marinus Spronk gemerkt had, maar, zo zei hij: ‘Wellicht was ik te jong om mij daar rekenschap van te geven. Wel kan ik zeggen, gezien de ervaringen, die ik in uiterst nauwe samenwerking in het verzet met Marinus Spronk gehad heb, dat deze een bewonderingswaardige verzetsstrijder was, nooit een woord teveel zei, uiterst intelligent en rustig zonder opschepperij te werk ging. Ik kan mij volkomen verenigen met de opmerkingen dienaangaande van Mechteld van Hardenbroek. De twee mensen, die ik het hoogst geacht heb in het verzet zijn mijn broer Klaas en Marinus Spronk.’ Hij schreef mij nog het volgende: ‘Ik ben mij ervan bewust, dat ik in de oorlog een uitzonderlijk geluk heb gehad. Soms vraagt men zich af waarom men nog mag leven, waar zovele voortreffelijke mensen de dood hebben moeten ondergaan en dat vaak in de afschuwelijkste omstandigheden. Daarnaast besef ik, dat niet alleen maar van geluk kan warden gesproken. Immers mijn leven heb ik ook te danken aan het feit, dat een aantal voortreffelijke mensen heeft weten te zwijgen. Daarbij denk ik aan mijn broer Klaas, aan Johan Brouwer, aan Moeke Spronk en aan haar oudste dochter Tilly en last but not least aan Marinus Spronk, die onder de zwaarst denkbare omstandigheden niets heeft losgelaten.

Met name naar hen allen, met hun moed, trouw en standvastigheid, die hun geweten volgden en op de bres stonden voor vrijheid en menselijke waardigheid, gaan mijn dankbare herinneringen en onverbloemde hulde uit. Dit geldt uiteraard niet alleen de hier genoemden, maar allen die verzet pleegden in welke vorm dan ook. Daarbij wil ik opmerken dat de mening die men wel hoort verkondigen, dat de Joden zich zonder verzet naar dc slachtbank lieten leiden, onjuist is, een verzinsel. Tijdens de oorlog heb ik veel Joodse verzetsstrijders gekend, die men gezien hun uiterst netelige positie des te meer om hun verzet dient te bewonderen.’

Sterfdatum Spronk
In het archief van de RIOD trof ik nog de volgende gegevens aan in het dossier nr. 11490, Opgave voor de erelijst van namen van hen, die voor het vaderland zijn gevallen.

Voor Marinus Spronk stond vermeld:
Gepakt                     19 september 1943 Den Haag
Gefusilleerd            12 januari 1944             Waalsdorpervlakte
Gevangenissen Amsterdam, Haagse Veer Rotterdam,
Vught, Oranjehotel Scheveningen
Vreselijk zware verhoren dagenlang.

Is zo geslagen dat maanden daarna de rug nog etterde en hij mank liep. Hij heeft zich aangesloten bij de sabotageploeg omdat hij sterk anti-Duits en anti-N.S.B. was. Hij hielp onderduikers en Joodse mensen aan levensmiddelenkaarten, valse Ausweisen en persoonsbewijzen. Hij was steeds bewapend en bezocht geheime vergaderingen in Amsterdam en Den Haag.
In Amsterdam stond hij naar alle waarschijnlijkheid in verbinding met de Maxen-Organisatie.
Hij was Max III en/of Rode Max (vanwege zijn rossige haar). Ondertekende met G 13.

Dit dossier, het bidprentje en Schakel noemen 12 januari 1944 als de datum van Spronks executie.
In het `Gedenkboek van het Oranjehotel’, door E.P. Weber, Nijgh & Van Ditmar, 1945 (of 1946), is op blz. 405 vermeld: Marinus Spronk, geb. 5.11.1900, elektro­monteur, gearresteerd 19.9.43 wegens sabotage, hulp aan onderduikers, piloten en Joden, in het `Oranjehotel’ gekomen 12.1.44, den volgenden dag gefusilleerd.

Hier is dus sprake van 13 januari 1944 in plaats van 12 januari als datum waarop Spronk gefusilleerd is. Mogelijk is er een fout gemaakt, omdat nu pas gebleken is dat Marinus Spronk niet in een van de vier boeken is opgetekend, die in de dodencel van het Oranjehotel (cel 601) liggen en waarin hij ten minste een dag moet heb­ben doorgebracht. Als blijkt dat dit waar is, zal deze ver­gissing alsnog worden goedgemaakt.

Er was meer dan een dodencel in het Oranjehotel in Scheveningen. Maar volgens het boekje: `Cel 601′ is deze cel tot een herdenkingsplaats gewijd. Dit boekje werd samengesteld door W. A. Brug en Drs. J. Smit en is een uitgave van de Stichting Oranjehotel, Den Haag, 1988.

De feiten in deze paragraaf werden opgespoord en nage­trokken door Wim, een schoonzoon van Marinus Spronk.
Marinus Spronk ligt begraven (herbegraven) op het Ereveld in Loenen, samen met de asresten van zijn echt­genote ‘Moeke’.

Verhaal Marinus Spronk (Stad Gorinchem 2009, door zoon Ton Spronk)